Geef hier een voorstelling van uw organisatie, en meer bepaald van haar Good Food-benadering.

Praktische gids ‘bodemanalyse voor telen in de stad’

Hoe weet u of uw terrein verontreinigd is? Heel eenvoudig: volg de 6 stappen van de praktische gids ‘bodemanalyse voor telen in de stad’!

Stap 1: Info verzamelen ivm de staat van de bodem van uw terrein

Vooraleer tot een bodemanalyse over te gaan, kunt u best zoveel mogelijk informatie verzamelen over uw terrein. Aan de hand daarvan kunt u de eventuele verontreinigingsrisico’s bepalen, de aard van de mogelijke verontreiniging en de zones waar het risico het grootst is. Het is dus belangrijk om deze risico’s vooraf te beoordelen.

De kaart met de staat van de bodem en de PFAS-kaart zijn de gemakkelijkste en belangrijkste hulpmiddelen om na te gaan of uw terrein (mogelijks) verontreinigd kan zijn. U kunt ze gratis raadplegen op de website van Leefmilieu Brussel en ze zullen u helpen om te bepalen of er risico’s zijn voor uw gezondheid. Deze kaarten worden elke dag bijgewerkt op basis van gemelde incidenten, uitgevoerde studies en werken en nieuwe, stopgezette of overgedragen activiteiten.

Kaart met staat van de bodem

  • Mijn terrein is niet opgenomen in de bodeminventaris

Dit betekent dat Leefmilieu Brussel niet over informatie over een mogelijke bodemverontreiniging beschikt. In dat geval raden we u aan de informatie in deze gids te lezen om te weten of een bodemanalyse noodzakelijk is: ga naar stap 2: uw terrein observeren en kennen.

  • Mijn terrein is opgenomen in de bodeminventaris

Leefmilieu Brussel kent een categorie toe aan elk perceel dat in de bodeminventaris is ingeschreven.
Deze categorieën werden oorspronkelijk niet gedefinieerd met het oog op stadslandbouw. De onderstaande tabel geeft voor elke categorie indicaties betreffende de aanleg van een moestuin.

Tabel: categorieën bodeminventaris

Uw terrein behoort tot categorie:Wat moet u doen?
0 (geel)
Mogelijk verontreinigde percelen
Deze categorie bevat de terreinen waar verontreiniging wordt vermoed. Het is dus aan te raden bodemanalyses uit te voeren vooraleer met het telen te beginnen. In geval van (onder andere) een verkoop van het terrein  is een verkennend bodemonderzoek verplicht. In overeenstemming met de geldende wetgeving zal een bodemverontreinigingsdeskundige dit verkennend bodemonderzoek uitvoeren. Hij kan ook onderzoeken of uw moestuin al of niet verontreinigd is.
Deze categorie kan overlappen met een van de onderstaande categorieën en in dat geval zijn er al bodemonderzoeken beschikbaar.
1 (groen)
Niet-verontreinigde percelen
Er zijn al bodemonderzoeken beschikbaar : uw terrein is niet verontreinigd. Indien er boringen ter hoogte van de moestuin, boomgaard of het pluimvee uitgevoerd werden, kunt u deze zonder problemen verder zetten of starten. Indien de locatie ervan niet onderzocht werd, raden we u aan om de informatie in deze gids te lezen om te weten of een bodemanalyse noodzakelijk is: ga naar “Stap 2: uw terrein observeren en kennen”.
2 (lichtblauw)
Licht verontreinigde percelen zonder risico

Er zijn bodemonderzoeken beschikbaar: uw terrein is licht verontreinigd. Indien er boringen ter hoogte van de moestuin, boomgaard of het pluimvee uitgevoerd werden, kunt u deze zonder problemen verder zetten of starten. Zo niet raden we u aan om   de informatie in deze gids te lezen om te weten of een bodemanalyse noodzakelijk is: ga naar “Stap 2: uw terrein observeren en kennen”.

Aandachtspunt: als u zich in een industriezonebevindt, zullen de gehanteerde verontreinigingsnormen minder streng zijn. De verontreiniging kan dus aanzienlijk zijn, maar het terrein zal tot categorie 2 behoren. U moet dus de resultaten van het onderzoek opvragen en ze analyseren.

Als u zich daarentegen in een groene zone bevindt, zullen de normen strenger zijn.

3 (donkerblauw)
Verontreinigde percelen 
Uw terrein is verontreinigd. Een analyse van de uitgevoerde bodemonderzoeken is nodig om na te gaan of er zones op het terrein zijn waar het houden van een moestuin, boomgaard of pluimvee mogelijk is (zones waar de bodem niet verontreinigd is). Betreft het een verontreiniging met Lood, Cadmium, PFAS, pesticiden of asbest, in de bovenste 60 cm, dan is het houden van een moestuin, boomgaard of pluimvee ter hoogte van de verontreiniging niet toegestaan. Betreft het een verontreiniging met andere parameters dan dienen de gebruiksbeperkingen opgelegd in de risicostudie gevolgd te worden. De bodemfacilitator kan u helpen bij de interpretatie van de bodemonderzoeken.
4 (Paars)
Verontreinigde percelen in onderzoek of behandeling
Uw terrein is verontreinigd en er worden onderzoeken uitgevoerd. Het houden van een moestuin, boomgaard of pluimvee is niet toegestaan op een bodem die in de bovenste 60 cm verontreinigd is met Lood, Cadmium, PFAS, pesticiden of asbest. Betreft het een verontreiniging met andere parameters dan dienen de gebruiksbeperkingen (opgelegd na het afsluiten van de bodemprocedure) gevolgd te worden. Raadpleeg de uitgevoerde bodemonderzoeken om na te gaan in welke zones het houden van een moestuin, boomgaard of pluimvee mogelijk is (de zones waar de grond niet verontreinigd is). De bodemfacilitator kan u hierbij  helpen.

*De normen worden bepaald op basis van het gewestelijk bestemmingsplan dat u kunt raadplegen via deze link.

Hoe kunt u de gedetailleerde resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken verkrijgen?

Mits schriftelijke toestemming van de persoon die het onderzoek heeft laten uitvoeren (de eigenaar of uitbater van het terrein), kunt u Leefmilieu Brussel een elektronische kopie van het onderzoeksrapport of de niet-technische samenvatting vragen. Die aanvraag is betalend (de niet-technische samenvatting is gratis) en gebeurt via een formulier dat beschikbaar is op de website van Leefmilieu Brussel of via het platform IRISbox, het elektronische loket van het Brussels Gewest. 

PFAS-kaart

Dit betekent dat volgens de informatie waarover Leefmilieu Brussel beschikt er geen theoretisch risico is op een verontreiniging met PFAS. In dat geval raden we u aan de informatie in deze gids te lezen om te weten of een bodemanalyse noodzakelijk is: ga naar “Stap 2: uw terrein observeren en kennen”.

Dit betekent dat volgens de informatie waarover Leefmilieu Brussel beschikt er een theoretisch risico is op een verontreiniging met PFAS. Afhankelijk van de kleur van uw terrein is dit risico groot of zeer groot. Er is een vermoeden van verontreiniging, in dat geval is het aangeraden om bodemanalyses uit te voeren vooraleer u begint te telen.

Stap 2: Uw terrein observeren en kennen

Het terrein systematisch observeren geeft een goede indicatie van de elementen die het mogelijk verontreinigen of verontreinigd hebben.

U kunt ook meer informatie inwinnen over de geschiedenis van het terrein, bijvoorbeeld bij de buren of de gemeente.

Doe de test: als het antwoord op een van de volgende vragen JA is, kan de bodem van uw terrein verontreinigd zijn:

  • Is/was er een stookolietank aanwezig?
  • Bevinden er zich bussen of flessen met (resten van) gevaarlijke producten (gebruikte olie, oplosmiddelen enz.) op het terrein?
  • Ziet u as op de bodem (bijvoorbeeld afkomstig van een allesbrander)?
  • Is de bodem opgehoogd (in dat geval bevat hij meestal bouwafval, stukken baksteen of zelfs kleine hoeveelheden afval, stukjes plastic …)?

Aarzel niet om de bodem een beetje uit te graven.

  • Ligt er afval (bijvoorbeeld plaatstaal, metalen …)?
  • Ligt er asbestverdacht materiaal?
  • Ruikt de bodem verdacht naar olie of oplosmiddelen bijvoorbeeld? (een geur van rottende planten is geen verontreiniging!)
  • Ligt uw terrein naast een grote verkeersader (spoorweg, autosnelweg, drukke weg …)?
  • Zijn andere omwonenden of vroegere gebruikers op de hoogte van elementen die op mogelijke bodemverontreiniging kunnen wijzen (vorig gebruik van het terrein bijvoorbeeld) ? Aarzel niet om het hen te vragen!
  • Is er een interventie van de brandweer geweest ten gevolge een brand ?

Wat moet ik doen als er elementen zijn die op bodemverontreiniging wijzen?

In dat geval is het nuttig om een bodemstaal van één of meer verdachte zones te nemen en het te laten analyseren.

Stap 3: Een laboratorium kiezen

Bepaal, voor u een staal neemt, naar welk laboratorium u uw bodemstalen wilt sturen om ze te laten analyseren.

U kunt kiezen uit: 

Vraag, nadat u een laboratorium hebt gekozen, welke procedure u moet volgen om een analyse aan te vragen (de meeste laboratoria hebben daar aanvraagformulieren voor).

Indien u PFAS wil laten analyseren, vraag dan zeker of dit mogelijk is in het labo dat u hebt gekozen! Op de website van OVAM staat een lijst van labo’s die PFAS in de bodem analyseren. OVAM is echter niet verantwoordelijk voor de volledigheid ervan.

Stuur uw staal zo snel mogelijk naar het laboratorium -via de post of met een koerier- en vraag uw analyse aan (sommige laboratoria hebben een eigen koerier).

Het is aan te raden de eigenaar van het terrein op de hoogte te brengen wanneer u een bodemanalyse laat uitvoeren en hem de resultaten te bezorgen.

Stap 4: Een bodemstaal nemen in uw moestuin

De methode waarmee u de stalen neemt, kan het resultaat van de analyse beïnvloeden en zelfs vervalsen. Het is dus heel belangrijk dat al het materiaal schoon is. U moet het potje voor het staal en het schepje dus goed schoonmaken en grondig spoelen met zuiver water (andere reinigingsmiddelen zijn niet toegestaan). Laat ze daarna in de lucht drogen. Het schepje moet gemaakt zijn van roestvrijstaal. 

De meeste laboratoria beschikken ook over gebruiksklare potjes voor bodemstalen die u vooraf niet hoeft te reinigen of te spoelen.

Welk materiaal hebt u nodig? 

  • Notaboekje en potlood (optioneel)
    • Opgelet: indien u PFAS wil laten analyseren mogen geen hardcovernotitieboekjes of plastiekclipboards gebruikt worden.
  • Nieuwe wegwerphandschoenen of nitril handschoenen voor PFAS
  • Een schoon, onbeschadigd stuk plastic zeil (optioneel)
  • Schone glazen bokaal van minstens 400 ml
  • Schepje of spade
  • Etiketten
  • Koelbox of koelelementen (voor de analyse van de vluchtige stoffen)
    • Opgelet: indien u PFAS wil laten analyseren zijn flexibele koelelementen met koelvloeistof niet toegestaan.

Indien u PFAS wil laten analyseren, moet u ook op onderstaande letten:

  • Vermijd rechtstreeks contact tussen waterdichte kleding en het staal dat u neemt
  • Voorkom dat regenwater via kleding in het staal loopt
  • Gebruik geen kleding dat met wasverzachter gewassen werd
  • Schoenen/laarzen moeten gemaakt zijn van polyurethaan (PU/PUR) of PVC, ze mogen geen Gore-Tex bevatten en niet behandeld geweest zijn met waterafstotende producten
  • Gebruik voor u het staal neemt geen vochtinbrengende middelen, handcrème, zonnecrème, muggenmelk of andere gerelateerde producten

Hoeveel stalen moet u nemen en waar?

Vooraleer u het bodemstaal neemt, kunt u best een schets maken waarop u de plaats aanduidt waar u het bodemstaal gaat nemen. Dat zal u helpen om deze plaats later terug te vinden. 

  • Voor kleine moestuinen (minder dan circa 50 m²) volstaat één staal. 
  • Voor grote moestuinen kan het nuttig zijn om meerdere stalen te laten analyseren. De onderstaande tabel geeft het minimale aantal aanbevolen stalen aan afhankelijk van de oppervlakte van de moestuin:
Oppervlakte van de moestuinAantal stalen
Tussen 50 en 250 m²2 potjes met stalen
Tussen 250 en 500 m²3 potjes met stalen
Tussen 500 en 1000 m²4 potjes met stalen

Voor een geïdentificeerde verdachte zone (bijvoorbeeld waar u een geur van olie of oplosmiddelen waarneemt, een ophoging, een zone waar een interventie van de brandweer ten gevolge een brand geweest is…) raden we aan een gericht staal te nemen. 

Als er meerdere verdachte zones zijn in de moestuin, kunt u ook beslissen om meerdere stalen te nemen. Bijvoorbeeld een staal in een zone waar zich ophogingen bevinden en een staal op een plaats die naar olie of andere stoffen ruikt.

Hoe neemt u een bodemstaal?

Om een stalenpotje te vullen, kiest u 3 plaatsen in uw moestuin en neemt u een schep (met een schepje of een schop) van de eerste 20 cm grond. Meng deze 3 grondstalen (eventueel op een schoon onbeschadigd stuk plastic) en vul de pot tot de rand met deze grond. Raak de grond niet aan met blote handen of vuile handschoenen. 

Als u een staal wilt nemen op een plaats van een verdachte zone, volstaat het om het potje alleen te vullen met grond van deze verdachte plaats (en niet verschillende stalen te mengen). Anders verdunt u het staal en krijgt u minder nauwkeurige resultaten. 

Sluit het potje goed af.

De stalen identificeren

Kleef een etiket op de pot en schrijf er uw naam en de datum van de staalname op. Als u meerdere potjes hebt, vermeld dan ook de plaats waar u de stalen hebt genomen. Dat is belangrijk om daarna de resultaten te kunnen analyseren! De schets die u hebt gemaakt, kan u daarbij helpen.  

Hoe bewaart u het staal?

Zet het staal op een koele plaats. Bewaar het nooit in de zon of in de buurt van een radiator!
Als u uw staal wil laten onderzoeken op vluchtige stoffen zoals oplosmiddelen of bepaalde brandstoffen (bv. benzine), kunt u het staal beter bewaren in een koelbox, of als dat kan, in een koelkast.

Stap 5: Een bodemstaal van uw moestuin laten analyseren

Op welke chemische stoffen moet u het staal laten onderzoeken?

De analyse van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), zware metalen en minerale oliën is al een goede basis om de staat van verontreiniging van uw moestuin te controleren.
Als u verontreiniging met andere stoffen vermoedt (ontvettingsproducten, benzine, asbest, PFAS, pesticiden enz.), kunt u vragen om het staal op andere, meer specifieke stoffen te onderzoeken. Uw laboratorium kan u informeren over de verschillende analysemogelijkheden.
De resultaten worden meestal binnen een maand verzonden.

Hoeveel kost dit?

Reken 50 tot 60 euro voor de analyse van een bodemstaal op zware metalen, PAK’s en minerale olie (maar soms zijn er meerdere stalen nodig!). De prijzen voor de andere parameters kunnen sterk variëren afhankelijk van de geanalyseerde parameter en kan oplopen tot enkele honderden euro’s. Een analyse op PFAS kost gemiddeld 200 euro. Uw laboratorium kan u informeren over de prijzen van de bodemanalyses.

Stap 6: De resultaten interpreteren

Om te weten of u voorzorgsmaatregelen moet nemen in verband met uw moestuin, kunt u de analyseresultaten die u van het laboratorium hebt ontvangen vergelijken met de drempelwaarden in de onderstaande tabel. 

Waarmee stemmen deze drempelwaarden overeen?

Drempelwaarde 1 stemt overeen met de interventienorm voor een woonzone (volgens het Gewestelijk bestemmingsplan) zoals voorzien door het besluit  tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen. Het zijn dus de officiële normen waarboven uw terrein als verontreinigd wordt beschouwd als het zich in een woonzone bevindt. Deze normen werden onder meer bepaald op basis van analyses van de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu. De optiek van ongunstige scenario’s werd weerhouden omdat men rekening houdt met personen die hun gehele leven aan de verontreiniging zijn blootgesteld. 

Drempelwaarde 2 is een concentratie die door Leefmilieu Brussel werd berekend op basis van een risicobeoordelingsmodel, voor een woning met een moestuin. Boven deze berekende concentratie moeten er maatregelen worden genomen om contact met de aanwezige verontreiniging te vermijden en mogelijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid te vermijden. 

Stof (mg/kg)Drempelwaarde
1*
Drempelwaarde
2*
 Stof (mg/kg)Drempelwaarde
1*
Drempelwaarde
2*
Zware metalenKoolwaterstoffen
Arseen103103Naftaleen55
Cadmium6/Benzo(a)pyeen3,64,86
Chroom (III)240240Fenantreen65236
Koper1972359Fluoranteen30195
Kwik4,84,8Benzo(a)antraceen10,533
Lood560/Chryseen180375
Nikkel95151Benzo(b)fluoranteen737
Zink3334099Benzo(k)fluoranteen11,537
 Benzo(ghi)peryleen39203920
Indeno(1,2,3-cd)pyreen2037
Stof (mg/kg)Drempelwaarde
1*
Drempelwaarde
2*
 Antraceen7024420
Minerale olieFluoreen39503950
Minerale olie (C10-C40)10001000Dibenz(a,h)antraceen2,94,45
 Acenafteen1430
Acenaftyleen111
Pyreen3952387
Stof (µg/kg)Drempelwaarde 1*Drempelwaarde 2*    
PFASStof (mg/kg)Drempelwaarde 1*Drempelwaarde 2*
PFOA7,9/Asbest**100/
PFOS4,9/    
Som PFAS TOTAAL8/    

** hechtgebonden asbestconcentratie vermeerderd met tienmaal de niet-hechtgebonden asbestconcentratie

Disclaimer:
Leefmilieu Brussel kan noch direct, noch indirect aansprakelijk worden gesteld voor de manier waarop deze aanbevelingen worden gebruikt en geïnterpreteerd. De betrokkene is als enige verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de omstandigheden geschikt zijn om op de gekozen plaats te tuinieren

Wat moet u doen als de gemeten concentratie hoger is dan deze waarden?

Er is geen drempelwaarde overschredenLow concern  (Niet “zorgwekkend”)

Uw terrein wordt niet als verontreinigd beschouwd en u kunt dus met een gerust hart starten met een moestuin of groenten blijven telen in uw moestuin.

Aanbevolen acties niveau 0

 

Drempelwaarde 1 werd overschreden voor minstens één parameter (maar niet voor cadmium, lood, PFAS, pesticiden en asbest)Medium concern (Weinig “zorgwekkend”)

De bodem van uw moestuin is licht verontreinigd. U kunt echter met een gerust hart groenten telen op voorwaarde dat u de volgende richtlijnen in acht neemt :

de aanbevelingen van niveau 0 EN de aanbevelingen van niveau 1

Drempelwaarde 1 werd overschreden voor cadmium, lood, PFAS; pesticiden en/of asbest

OF

drempelwaarde 2 werd voor minstens één andere parameter overschreden 

High concern (zeer zorgwekkend)

Het terrein is verontreinigd en gezondheidsrisico’s kunnen niet uitgesloten worden. Vermijd dus om in volle grond te telen en vermijd elk direct contact met de verontreiniging.

De aanbevelingen van niveau 0, niveau 1 EN de aanbevelingen van niveau 2 dienen in acht genomen te worden

Enkele concrete voorbeelden:  

  • Voorbeeld 1: Voor zink bedraagt drempelwaarde 1 333 mg/kg .
    Het analyseresultaat dat ik van het laboratorium ontvang, geeft aan dat mijn bodem een concentratie van 100 mg/kg zink bevat.  Er is dus geen drempelwaarde overschreden en ik kan groenten telen.
  • Voorbeeld 2: Voor koper bedraagt drempelwaarde 1 197 mg/kg en drempelwaarde 2 2359 mg/kg.
    Het analyseresultaat dat ik van het laboratorium ontvang, geeft aan dat mijn bodem een concentratie van 1200 mg/kg koper bevat. Drempelwaarde 1 is overschreden, maar drempelwaarde 2 niet.  Ik kan groenten telen, maar ik moet de aanbevelingen van niveau 1 in acht nemen.
  • Voorbeeld 3: Voor Cadmium bedraagt drempelwaarde 1 6 mg/kg.
    Het analyseresultaat dat ik van het laboratorium ontvang, geeft aan dat mijn bodem een concentratie van 8 mg/kg cadmium bevat. Aangezien het cadmium betreft en dit één van de uitzonderingen is samen met lood, PFAS, pesticiden en asbest, dien ik niet meer met drempelwaarde 2 te vergelijken, maar kan ik meteen besluiten dat ik geen groenten teel in volle grond ter hoogte van de verontreinigde zone. Ik teel in bakken of verplaats mijn moestuin naar een niet verontreinigde zone.  
  • Voorbeeld 4: Voor benzo(a)pyreen bedraagt drempelwaarde 1 3,6 mg/kg  en drempelwaarde 2 4,86 mg/kg.
    Het analyseresultaat dat ik van het laboratorium ontvang, geeft aan dat mijn bodem een concentratie van 5,9 mg/kg benzo(a)pyreen bevat. Drempelwaarde 2 is overschreden. Ik teel geen groenten in volle grond in de verontreinigde zone, maar ik teel in bakken of ik verplaats mijn moestuin naar een niet verontreinigde zone.

Aanbevolen acties

Niveau 0

Uw terrein wordt niet als verontreinigd beschouwd en u kunt dus met een gerust hart starten met een moestuin, of groenten blijven kweken in uw moestuin. Toch raden we u aan om onderstaande aanbevelingen op te volgen. 

  • Was of schil uw groenten en fruit altijd voor u ze eet.
  • Was uw handen nadat u in de tuin hebt gewerkt.
  • We raden ook aan om uw moestuin te bewerken volgens de goede praktijken voor tuinieren om toekomstige bodemverontreiniging te vermijden.

Niveau 1

Uw bodem is licht verontreinigd. U kunt echter met een gerust hart groenten telen, op voorwaarde dat u de aanbevelingen van niveau 0 en de onderstaande aanbevelingen in acht neemt.

  • Schil wortelgroenten voor u ze eet of bereidt.
  • Zorg voor een variatie in groenten en fruit en wissel af tussen groenten en fruit uit uw eigen tuin en uit de winkel.
  • Vermijd het mee in huis brengen van verontreinigde grond.
  • Niet alle planten zijn even gevoelig voor bodemverontreiniging. Teel geen planten waar verontreinigde stoffen zich opstapelen. Zie: speelt het soort groenten dat ik teel een rol bij bodemverontreiniging?
  • Laat de grond niet braak liggen :
    • Zorg dat de verontreinigde bodem zoveel mogelijk bedekt of begroeid is, zodat er zo weinig mogelijk contact met deze verontreinigde grond mogelijk is en om te vermijden dat bodemdeeltjes worden verspreid door de wind of de regen. U kunt de bedden bedekken met compost of afgehakseld groenafval. In het algemeen is dit ook een goede praktijk om de bodem en het bodemleven te beschermen.
    • Bedek de rest van de verontreinigde zone, die niet zal worden bewerkt, zoals paadjes. Bijvoorbeeld met houtsnippers om te vermijden dat iemand met de bodemverontreiniging in contact komt.

Niveau 2

Uw bodem is verontreinigd en dit kan risico’s inhouden. Neem de aanbevelingen van niveau 0, 1 en de onderstaande aanbevelingen in acht.

  • Teel uw groenten in bakken of andere recipiënten die u vult met schone grond en compost, waarvan u de herkomst kent;
  • Of bedek het terrein met een laag zand van 10 cm dik en hoog het daarna op met minstens 60 cm schone teelaarde zodat de wortels van de planten niet in de verontreinigde zone doordringen;
  • Het houden van kippen ter hoogte van de verontreinigde zone wordt afgeraden zolang er geen fysieke scheiding is met de verontreinigde grond.

U kunt de vastgestelde bodemverontreiniging ook laten saneren, bijvoorbeeld door afgraving. Om het goede verloop van de saneringswerken te garanderen, moet deze verplicht worden opgevolgd door een bodemverontreinigingsdeskundige en een bodemsaneringsaannemer. De verontreinigde grond moet bovendien worden afgevoerd naar een erkend verwerkingscentrum. Een bodemsanering brengt aanzienlijke kosten met zich mee.

Meer informatie vindt u op onze webpagina’s over de behandelingstechnieken

De verontreiniging afbakenen 

In sommige gevallen geeft de observatie van de aard van de bodem al een eerste indicatie van de omvang van de verontreiniging. Als uw terrein bijvoorbeeld een zone bevat waar u alleen natuurlijk zand ziet, en een andere zone die duidelijk werd opgehoogd (heterogene grond die stukken baksteen ed bevat), is de kans groot dat de bodemverontreiniging tot die laatste zone beperkt is.
Als een bepaalde zone of een specifiek staal verontreinigd is, kunt u ook bijkomende analyses laten uitvoeren om de verontreiniging beter af te bakenen.

Als u andere stoffen hebt laten analyseren

Als u analyseresultaten hebt voor andere verontreinigende stoffen dan de bovenvermelde stoffen, kunt u eerst en vooral de resultaten vergelijken met de interventienormen voor een woonzone die werden bepaald door het besluit tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen.
Als u een bodemverontreiniging vaststelt die deze interventienorm overschrijdt, raden we u aan een bodemverontreinigingsdeskundige te raadplegen om na te gaan welke specifieke maatregelen u moet nemen om elk contact met de verontreiniging te vermijden.

Afhankelijk van de aard van de vastgestelde verontreiniging en de gemeten concentraties, kunnen namelijk andere maatregelen noodzakelijk zijn.

Documentatie

Projectoproep 2024 - Toegankelijkheid van Good Food

Met deze nieuwe editie van de projectoproep "Toegankelijkheid van Good Food" wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (door een samenwerking tussen Leefmilieu Brussel en de COCOF) de opkomst van projecten ondersteunen die structurele acties ontwikkelen die de toegankelijkheid van Good Food bevorderen, met name in wijken met een laag aanbod aan toegankelijke Good Food.

Werkt u in de non-profitsector, ontwikkelt u acties en activiteiten in het Brussels Gewest en wilt u een project ontwikkelen om de toegankelijkheid van Good Food te verbeteren, en hebt u financiële steun nodig om de uitvoering ervan te begeleiden? Neem dan deel aan de projectoproep Good Food 2024!

Alle details over de oproep vindt u in het presentatiedocument.

Een intentieverklaring wordt verwacht tegen 20 juni 2024 (verplicht) en de definitieve aanvraag wordt verwacht tegen zondag 18 augustus 2024 (24 uur).

 

De oproep in een notendop

  • Tot wie richt de projectroep zich? De projectoproep is gericht aan alle verenigingen die actief zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  • Objectief: Deze oproep tot het indienen van projecten heeft tot doel projecten te ondersteunen die de toegankelijkheid van Good Food verbeteren. De projecten moeten voldoen aan de doelstellingen en beginselen van de Good Food-strategie.
  • Wat? De geselecteerde projecten kunnen rekenen op een financiële ondersteuning van 50.000 € tot 75.000 €. De projecten mogen max. twee jaar (24 maanden) duren na de inwerkingtreding van de subsidie.
  • Hoe?
    • Eerste stap (verplicht): Stuur ons vóór donderdag 20 juni 2024 om 12.00 uur een intentieverklaring van uw project aan de hand van het onderstaande formulier, per e-mail naar info@goodfood.brussels. Persoonlijke feedback aan projectleiders zal in de eerste week van juli worden gegeven.
    • Tweede stap: Stuur ons uw aanvraag in te dienen aan de hand van het onderstaande formulier. De aanvraag moet vóór zondag 18 augustus 2024 om 24.00 uur per e-mail worden gestuurd naar info@goodfood.brussels.
  • Vragen? info@goodfood.brussels

Foto © Gaëlle Henkens

Overheidssteun

Controleattest grootkeukens (pro)

Het Good Food controleattest voor grootkeukens richt zich op centrale keukens waar dagelijks een groot aantal maaltijden wordt geproduceerd die bestemd zijn voor kantines in scholen, kinderdagverblijven, woonzorgcentra, bedrijven ... in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het Good Food label dient o.a. om private en publieke kantines aan te zetten duurzamer te werk te gaan. Voor de grootkeukens bestaat zo’n label niet, terwijl zij toch vaak een belangrijke leverancier zijn van deze kantines.

Daarom werd een attest in het leven geroepen dat als doelen heeft:

  • Aan te geven dat een grootkeuken in staat is om aan de kantines waar ze levert een gamma aan te bieden dat voldoet aan de vereisten van het Good Food label;
  • De toegang tot het label voor kantines te vergemakkelijken.

Het controleattest bestaat dus, anders dan het kantinelabel, niet uit verschillende niveaus (‘vorken’). Meer info over het Good Food label voor kantines

 

Werking

Eerste toegangsvoorwaarde

Een grootkeuken zijn die levert aan een of meer kantines in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Voordelen voor de grootkeuken

Je kan gratis een onafhankelijke audit te laten doen die resulteert in een volledig rapport waarin alle Good Food criteria worden opgesomd waaraan je bedrijf kan beantwoorden.

Dit rapport kan een interessante marketingtool zijn. Het kan dienen om kantines te helpen die op zoek zijn naar een grootkeuken die kan beantwoorden aan Good Food criteria.

Criteria

Het systeem van controleattesten maakt een onderscheid tussen criteria voor centrale keukens en criteria voor geleverde kantines:

  • De criteria voor geleverde kantines moeten worden geïmplementeerd als onderdeel van het Good Food-kantinelabel. Deze staan uitgelegd in het document "Good Food-kantines geleverd door een grootkeuken - procedure".
  • De criteria voor de grootkeukens hebben betrekking op het voedselaanbod dat door hen wordt geproduceerd. Ze worden getoetst aan een aantal criteria van het Good Food-kantinelabel. 

Voorwaarden om het controleattest te verkrijgen

De grootkeuken moet bewijzen dat haar voedselaanbod kan beantwoorden aan de wettelijke criteria van het Good Food-kantinelabel.

Voor alle duidelijkheid: het is niet verplicht dat alle kantines die door de grootkeuken worden beleverd voldoen aan de Good Food-criteria.

Engagementen

Als grootkeuken engageer je je de inspecteur voor, tijdens en na de audit alle door hem gevraagde bewijsstukken te bezorgen. Je verbindt je er ook toe om tijdens de hele duur van het attest ter beschikking te blijven en alle door Leefmilieu Brussel en/of de inspecteur gevraagde documenten te bezorgen.

Leefmilieu Brussel en het controleorganisme verbinden zich ertoe geen persoonlijke of economische gegevens te onthullen.

Geldigheid van het attest

  • 2 jaar vanaf de datum van afgifte voor grootkeukens met verschillende klanten en een voedingsaanbod dat kan verschillen naargelang de klant: de centrale keuken levert aan verschillende klanten en voert verschillende contracten en/of overheidsopdrachten uit.
  • 3 jaar vanaf de datum van afgifte voor grootkeukens met een unieke klant. Als deze verschillende kantines heeft, is het voedselaanbod identiek in al zijn kantines.

Het attest vernieuwen

Minimum drie maanden voor het einde van de geldigheidsduur (zie vorige punt), kan je een vernieuwing van het attest aanvragen door opnieuw een kandidaatsdossier in te dienen. Er volgt dan opnieuw een volledige audit, deels administratief en deels ter plaatse.

Prijs van het controleattest

Het controleattest is gratis voor iedereen.

 

Documenten

Als de audit een positief resultaat heeft opgeleverd, zal het controleorganisme je volgende documenten bezorgen:

1. Het controleattest

Op het attest worden de resultaten samengevat voor elk van de Good Food-criteria waarop de grootkeuken werd gecontroleerd.

Het wordt eveneens gepubliceerd op het Good Food-portaal.

2. Lijst met kantines die in aanmerking kunnen komen voor het Good Food-Kantine label

Deze lijst vermeldt voor elke Brusselse kantine (of groep kantines) die door je grootkeuken wordt bevoorraad, of haar aanbod al dan niet voldoet aan de verplichte criteria van het Good Food-label. De verbeterpunten worden gespecificeerd.

De lijst maakt het gemakkelijk om kantines te identificeren die het Good Food-kantinelabel zouden kunnen aanvragen via het vereenvoudigde aanvraagsysteem. Hij wordt niet gepubliceerd en is enkel beschikbaar op aanvraag voor grootkeukens.

Optioneel: het controlerapport

Als je meer details wilt weten over de resultaten van de audit van je grootkeuken, kan je een uitgebreider rapport aanvragen bij de helpdesk.

Opmerking

Op aanvraag kan een al grotendeels ingevuld kandidaatsdossier bezorgd worden aan kantines die het Good Food-label willen halen en die klant zijn bij een grootkeuken die een controleattest ontving. Het dossier bevat de resultaten van de audit van de grootkeuken.

Dit document wordt niet gepubliceerd en niet doorgegeven aan de grootkeuken. Het wordt enkel op aanvraag bezorgd aan de hierboven beschreven kantines.

 

Communicatie over het controleattest

Het controleattest is geenszins een label, enkel een bewijsstuk dat kantines kan overtuigen om met de grootkeuken te werken. De grootkeuken mag in haar communicatie dus ook niet verwijzen naar een label.

Communicatie naar de Brusselse kantines waar de grootkeuken levert, kan wel. Leefmilieu Brussel stelt je daartoe een template ter beschikking en zal zelf ook proactief kantines benaderen die in aanmerking kunnen komen voor het Good Food-label.

Meer details over procedures en voorwaarden zijn te vinden in het document ‘Hulpmiddel voor het controleattest grootkeukens’.

Een controleattest aanvragen

  • Om als grootkeuken je kandidatuur in te dienen, stuur je een e-mail naar helpdeskkantine@leefmilieu.brussels. Zij ondersteunen je bij het opmaken van het dossier en begeleiden je indien nodig om bepaalde criteria te kunnen behalen.
  • Je krijgt dan een link toegestuurd naar een gedeeld dossier waarin je alle gevraagde bewijsstukken kan verzamelen.
  • Eens het volledige dossier is ontvangen door Leefmilieu Brussel, zal een onafhankelijk controleorgaan het onderzoeken en een audit van de grootkeuken plannen.

 

Overheidssteun

Good Food Kantine-label (professionelen)

In Brussel worden elk jaar ruim 73 miljoen maaltijden geserveerd in bedrijven, administraties, scholen, universiteiten, kinderdagverblijven, ziekenhuizen en rusthuizen. Al deze kantines kunnen aanspraak maken op het Good Food Kantine-label. Ontdek hier hoe het te verkrijgen.

Steeds meer grootkeukens worden zich bewust van het belang van duurzame voeding. Ze bieden lokale en seizoensgebonden gerechten, bereiden veggiemenu's en organiseren acties om minder voedsel te verspillen. Leefmilieu Brussel wil dat engagement aanmoedigen door hen een evolutief label toe te kennen. Het label helpt grootkeukens om duurzamer te werk te gaan. 

 

Kantine of restaurant?

Het label Good Food-kantine is gericht op catering voor een collectieve voorziening, m.a.w. een kantine.

Dienstverlening voor een collectieve voorziening

Een kantine verleent een dienst aan een collectieve voorziening (zoals een school, bedrijf, administratie, ziekenhuis, kinderdagverblijf, rusthuis, enz.), in tegenstelling tot een restaurant dat zich richt tot particulieren.

Eén maaltijd per dag, meestal 's middags

De meeste kantines bieden uitsluitend een middagmaal. In sommige sectoren (zoals ziekenhuizen, rusthuizen en bepaalde bedrijven) kunnen ze echter tot drie maaltijden per dag aanbieden om te voldoen aan de noden van het personeel (het aanbod is dan niet bestemd voor het grote publiek).

Een beperkt aanbod

Een kantine verwerkt een grote hoeveelheid maaltijden, waardoor het aanbod beperkt is. Restaurants hebben daarentegen een uitgebreidere kaart.

 

Een evolutief label: van één tot drie vorken

Het label dat de kantines krijgen, bevat één, twee of drie vorken. Elk niveau stemt overeen met meer gediversifieerde criteria voor smakelijke, gezonde en milieuvriendelijke voeding.

Eerste vork: de verplichte criteria van het Good Food Kantine-label

Om hun eerste vork te krijgen, moeten de grootkeukens voldoen aan een aantal verplichte criteria, zoals:

  • Een minimale hoeveelheid biologische producten, een vegetarisch aanbod en seizoensproducten aanbieden.
  • Voedselverspilling bestrijden.
  • De klanten informeren en sensibiliseren rond duurzame voeding.

Tweede en derde vork: optionele criteria

Om de tweede en derde vork te krijgen, moet de kantine voldoen aan optionele criteria, waarmee ze hun doorgedreven inzet aantonen. Denk bijvoorbeeld aan de herkomst van eieren, de terbeschikkingstelling van kraantjeswater, een aanbod maatschappelijk verantwoorde producten, enz.

 

Stappen om het label te verkrijgen

Belangrijk: voor een kantine die gebruik maakt van een grootkeuken* om de maaltijden voor haar consumenten te bereiden en te leveren, is de aanvraagprocedure om het Good Food Kantine-label te verkrijgen anders en eenvoudiger dan voor kantines die hun maaltijden ter plekke produceren. De specifieke procedure staat beschreven in het document Good Food kantine beleverd door een grootkeuken – procedure

*Een grootkeuken is een keuken die maaltijden produceert voor kantines van collectiviteiten buiten haar productielocatie. Dit houdt in dat er een groot aantal maaltijden per dag wordt bereid, waarvan de meeste aan kantines worden geleverd (een deel van de geproduceerde maaltijden kan in de kantine van de grootkeuken worden geconsumeerd).

1. Contacteer de Helpdesk Kantines

Als je een aanvraag wilt indienen, stuur dan een e-mail naar helpdeskcantine@environnement.brussels. We nemen dan contact met je op om je de documenten te sturen die je nodig hebt voor je aanvraag en je toegang te geven tot je gedeelde dossier.

2. Gratis begeleiding

We helpen je bij het analyseren van je praktijken op basis van de criteria van het label en helpen je bij het voorbereiden van je aanvraagdossier. Als je wilt, kunnen we je advies geven over hoe je bepaalde praktijken kunt verbeteren.

3. Het kandidaatsdossier

Aanvragen kunnen twee keer per jaar worden ingediend (uiterlijk de 2e maandag in maart en oktober). Criteria en documenten kunnen veranderen.

Om de procedure te vergemakkelijken, beschikken we over een beveiligde omgeving voor het delen van alle benodigde documenten. Tijdens de ondersteuning zullen we je helpen om je account aan te maken en toegang te krijgen tot je gedeelde dossier.

De criteria en documenten worden regelmatig bijgewerkt. Het is daarom belangrijk om de laatste versie van het vademecum te downloaden.

Wijzigingen in het vademecum worden eenmaal per jaar doorgevoerd en zijn van toepassing vanaf 1 januari.

4. De controle

Een onafhankelijk controleorgaan voert de controle uit. Indien nodig, wordt een bezoek ter plaatse  gepland om de naleving van de criteria, de menu's, de facturen van leveranciers en de certificaten te controleren.

5. Een label voor drie jaar

Het label is drie jaar geldig. Tijdens die periode kunnen controles worden georganiseerd. Daarna kan een aanvraag voor een verlenging worden ingediend. Een nieuwe kans voor een vorkje meer!

 

Gelabelde kantines

Kinderdagverblijven, rusthuizen, ziekenhuizen, bedrijven, scholen ... Het aantal Brusselse kantines met het Good Food-label neemt voortdurend toe. Om de kantines en hun aanpak te kennen, klik hier!

 

Deadlines voor kandidaatsdossiers

Vanaf 2026 zijn er geen vaste deadlines meer voor het indienen van aanvragen. Dossiers kunnen het hele jaar door worden ingediend en de kantine kan onmiddellijk worden gecertificeerd als de audit positief is. Als het dossier belangrijke vragen oproept in verband met de mogelijke niet-naleving van de verplichte criteria, wordt het voorgelegd aan de jury (de jury's blijven twee keer per jaar bijeenkomen). In dat geval moet worden gewacht op de beslissing van de jury om eventueel het label te krijgen.

Overheidssteun

Gedifferentieerde prijsweergave

Bent u handelaar en wilt u uw producten verkopen volgens een gedifferentieerd prijsstelsel? Dat is mogelijk, zolang u de paar regels in dit artikel volgt! 

Om hun producten voor alle budgetten toegankelijk te maken kiezen sommige handelszaken voor een gedifferentieerd prijssysteem. Dit is bijvoorbeeld het geval voor Le Pain Levé in Schaarbeek, die haar brood verkoopt volgens een “driekleurig” systeem.

  • De paarse prijs is de middenprijs, de basisprijs, die de bakkerij draaiende houdt.
  • De blauwe prijs, 20% lager dan de paarse prijs, is toegankelijker en bedoeld voor minder bevoorrechte mensen.
  • De oranje prijs, 10% hoger dan de paarse prijs, is bedoeld voor mensen met meer middelen en maakt het de bakkerij mogelijk om de blauwe prijs aan te bieden.

Wees wel voorzichtig : als u er voor kiest om een soortgelijk systeem te gebruiken moet u voorzichtig zijn met hoe u deze informatie communiceert aan uw klanten. 

De hoofdregel is dat voor een specifiek product er slechts één prijs kan (en moet) weergegeven worden.

Als u een gedifferentieerd prijssysteem toepast moet u dit dus globaal communiceren en niet per product.

 

Wat verboden is

  • Verschillende prijzen voor hetzelfde product weergeven:
    • Bijvoorbeeld: als u een brood verkoopt, mag u er geen prijskaartje met “3,20€ / 4€ / 4,40€" voor plaatsen.

 

Wat toegestaan is

  • In de winkel een mededeling plaatsen met een algemene uitleg van het gedifferentieerd prijssysteem:
    • Bijvoorbeeld: “Paarse prijs = basisprijs ; blauwe prijs = -20% ; oranje prijs = +10%”
  • Voorbeelden weergeven die illustreren hoe dit systeem wordt toegepast, zonder dat deze voorbeelden uitdrukkelijk gekoppeld worden aan een specifiek product:
    • Bijvoorbeeld: “Als de paarse prijs 4€ is, dan is de blauwe prijs 3,20€ en de oranje prijs 4,40€”
Reglementering

ENTIER

Ter info, de hoofdtaal van deze acteur is Frans.

 

ENTIER, l’ASBL qui réunit éleveurs et restaurateurs  

ENTIER est né de la volonté de Restaurateurs de se regrouper pour accéder en direct à des approvisionnements de qualité pour une viande éthique, locale et durable. Leur objectif est de se lier avec les éleveurs belges, relocaliser l’approvisionnement et simplifier la chaîne logistique, mais aussi de s’assurer d’une qualité environnementale et gustative reflétant un terroir aujourd’hui peu mis en avant.

ENTIER vise à reconnecter l’offre et la demande de viande respectueuse de l'environnement, éthique et locale, et surtout à donner à chaque acteur les compétences nécessaires pour créer son propre approvisionnement, de manière indépendante et durable.

Pour cela, nous conduisons trois activités principales :

1. Réseau

Nous vous fournissons un portefeuille d'agriculteurs belges producteurs de viande de qualité et éthique (volaille, porcin, bovin, ovin). Nous aidons l'agriculteur à promouvoir son élevage, ses pratiques et ses produits auprès de restaurateurs soucieux de qualité, prêts à se mouiller pour participer à l'équilibre carcasse. Vous faites partie d'un collectif de chefs qui ont tous pour souhait de soutenir nos éleveurs, avec un achat en toute transparence : c'est l'éleveur qui vous facture directement.

2. Formation

Notre but est de vous former, ainsi que votre équipe, à travailler la totalité des viandes produites dans une carcasse (+/- 6 formations par an sur Bruxelles). Les formations varient : désossage du porc, cours de charcuterie... L'éleveur fait partie du processus d'apprentissage, le boucher et les restaurateurs aussi !

3. Communication

À travers nos événements de rencontre, et désireux de recréer des liens et de l'engagement auprès des citoyens, nous mettons en place des outils de communication vous permettant de sensibiliser votre clientèle en salle et sur les réseaux, afin de promouvoir votre éthique partagée auprès de l'éleveur et de la filière. Ici, on mise tout sur l'humain, la rencontre, on ne promeut par une pratique au détriment d'une autre, on invite chaque citoyen à se rapprocher de l'éleveur, du boucher, de vous, pour mieux comprendre la richesse des métiers de la filière.

 

Nos objectifs

Recréer des liens directs

En 2021, nous avons initié ENTIER à Bruxelles avec l'implication de 15 chefs et éleveurs bios. Aujourd'hui, plus de 50 acteurs nous ont rejoint et nous souhaitons élargir notre champ d'action aux restaurants des grandes villes wallonnes. Chaque semaine, de nouveaux acteurs de la restauration s'insèrent dans l'aventure pour recréer des connexions avec les producteurs locaux de viande biologique : bouchers, gérants de magasins, traiteurs, etc.

Avec eux, le projet ENTIER vise à :

  • Prospecter, créer et animer des liens commerciaux et relationnels entre des chefs engagé·e·s et des producteurs de viande certifiée biologique ;
  • Faciliter la mise en place de filières courtes et durables, grâce à la formation, au partage d'expériences et de compétences, et à la prise en compte par les chefs de l'ensemble de la filière ;
  • Utiliser les talents de communication des chefs et leurs canaux / réseaux populaires pour promouvoir le mouvement Slow Meat, l'agriculture de qualité, la prise de conscience de nos responsabilités en matière de consommation ET de l'importance du maintien d'une activité d'élevage.

Valoriser l'ENTIER

ENTIER tente de changer le regard des consommateurs et des professionnels de l'alimentation sur la consommation de viande.

En Belgique, peu de professionnels et de consommateurs cherchent encore à valoriser autre chose que les "morceaux nobles" et la viande hachée. En formant des chefs et des bouchers et en remettant l'accent sur le travail de la charcuterie, nous voulons réduire le gaspillage alimentaire et redécouvrir des pratiques alimentaires vertueuses. En créant une relation directe entre les agriculteurs biologiques et les chefs, nous relocalisons la production de viande grâce aux méthodes d'agriculture les plus durables possibles.

En sensibilisant les consommateurs par l'intermédiaire des chefs, nous voulons leur faire prendre conscience que la viande est une ressource rare, qui implique l'abattage d'un animal et dont le gaspillage doit être évité à tout prix. Nous voulons montrer que la consommation de viande mérite d'être repensée dans une perspective de résilience et de durabilité.

Coopération et auto-détermination

ENTIER a été conçu et mis en place pour proposer une façon structurée et dynamique d'interagir entre les chefs, les bouchers et les producteurs. ENTIER n'agit qu'en tant que facilitateur pour renforcer les relations entre ces acteurs et permettre à la communauté d'avoir un meilleur accès à l'agriculture biologique.

ENTIER est une association à but non lucratif dont l'objectif est de développer des relations commerciales entre ces acteurs, en construisant des ponts entre les différents domaines d'expertise et de besoins.

Mené par une équipe de chefs et d'éleveurs, ce projet a été construit et restera un outil fait pour les chefs et les éleveurs qui souhaitent participer à la transition du système alimentaire et agricole avec les consommateurs et les producteurs.

Solidarité, durabilité, éducation

Solidarité

En donnant des perspectives commerciales aux éleveurs locaux de produits durables, les chefs leur donnent la possibilité de vivre décemment de leur travail, de renouer avec leur savoir-faire traditionnel et d'apporter leur travail de qualité dans l'assiette du consommateur. Les chefs assument leurs responsabilités et leur solidarité avec les producteurs.

Durabilité

Faciliter la mise en place de filières viandes courtes et durables tout en valorisant l'ENTIER est un double bénéfice environnemental. Les chefs n'utilisent aujourd'hui que 1 % de la carcasse de l'animal. Valoriser un animal entier dans l'assiette du consommateur, qui plus est provenant d'une filière de production biologique non intensive, a un impact positif majeur sur la pérennité de notre système agricole, sur nos habitudes de consommation et évidemment sur les émissions de GES de l'élevage.

Éducation

La communication d'une alimentation de qualité et durable est construite avec les producteurs afin de bien comprendre et de partager les conséquences de ses techniques sur son environnement, son écologie. La diffusion de cette prise de conscience est gérée par les chefs qui agissent en tant qu'ambassadeurs auprès des consommateurs. C'est la communauté qui reproduit et atteint un impact suffisant pour voir des changements dans nos habitudes de consommation.

 

En pratique

Aujourd'hui, ENTIER a la forme d'une ASBL, au sein de laquelle nous demandons à chaque membre une participation financière (cotisation) de 450 € à l'année (déductible dans vos frais). Nous rêvons d'un modèle de coopérative à l'avenir, pour engager encore davantage de citoyens (professionnels et particuliers) dans notre démarche.

Les administrateurs fondateurs de l'ASBL, pour certains, vous sont déjà connus : Denis Delcampe du Tournant, Sara Lenzy de chez Entre Nous, Michel Borsy des Éleveurs, Dominique Jacques de l'Union Nationale des Agrobiologistes Belges (UNAB) et Vincent Pautré (Beef TAKE, MesRillettes, ENTIER) et Laura Duchenne comme co-fondatrice.

Illustratie
Categorie
Doelgroepen
Talen
Frans
Adresse

Rue de Mérode 29
1060 Saint-Gilles
België

Telefoon
+32 478 50 91 53
E-mail
laura@entier.be

Identification de filières porteuses Good Food

Ter info: deze studie bestaat enkel in het Frans

 

Étude, Sytra, 2024, 147 pages

 

Contexte

Les stratégies Good Food 2 (SGF2) et Shifting Economy ont pour ambition de développer l’approvisionnement de Bruxelles en produits Good Food, et ce en stimulant et en structurant l’offre (belge) et la demande (bruxelloise) pour ces produits.

Dans ce cadre, une étude a été réalisée par Sytra afin d’identifier les filières:

  • Qui peuvent être transformées en filières Good Food ;
  • Qui peuvent avoir un impact positif sur l’économie et l’emploi bruxellois ;
  • Qui ont une plus-value pour la Région et sa population.

 

Méthode d’identification des filières porteuses

Une série de huit critères – quantitatifs et qualitatifs - d’évaluation ont été considérés pour identifier les filières :

  • Assiette Good Food (GF) et recommandations du Conseil Supérieur de la Santé (CSS)
  • Part de volume consommé en bio
  • Potentiel de croissance bio
  • (Sur)production en bio
  • Habitudes alimentaires des Bruxellois
  • Activités économiques et création d’emploi en Région de Bruxelles-Capitale
  • Cohérence entre régions
  • Taux d’auto-approvisionnement théorique (TAA)

Un système de score est établi pour évaluer les différentes filières. Ces filières sont ensuite classées via une cotation allant de 5 à 0.

 

Résultats de l’étude

L’analyse, par Sytra, des différentes informations et des critères d’évaluation a permis de donner un score à chacune des filières.

Les filières obtenant le plus haut score sont, dans l’ordre d’importance, les légumes (31), les fruits (28) et enfin les céréales, les légumineuses et la viande bovine (respectivement 24).

Il n’est pas surprenant de trouver le secteur de la viande bovine haut dans le classement étant donné l’importance de l’activité agricole qu’il représente en Belgique et l’importance de l’activité économique de cette filière en RBC. Cependant, la viande n'a pas une place importante dans l'assiette Good Food. La viande bovine figure par ailleurs dans les groupes alimentaires à limiter dans les recommandations du Conseil Supérieur de la Santé (CSS). En outre, la plupart des stratégies européennes poussent à l’adoption de nouveaux régimes (avec plus de protéines végétales et moins de viande) et d’une assiette durable. C'est pourquoi, après concertations entre Bruxelles Environnement, Sytra, et le cabinet Maron, il a été décidé de ne pas faire de la filière de la viande bovine une filière prioritaire.

Les 4 autres filières, à savoir les légumes, les fruits, les céréales et les légumineuses, occupent une place majeure dans l’assiette Good Food et les recommandations alimentaires du Conseil Supérieur de la Santé. Elles font déjà partie des habitudes alimentaires de la population de la RBC et assurent en ce sens une pertinence de l’appui de la RBC à leur développement vers des filières de qualité. À l’échelle nationale, la production de fruits, légumes et céréales est présente dans les différentes régions. Les 4 filières ont une part de production bio existante qui gagnerait à être soutenue et développée par des marchés plus importants et stables. Par ailleurs, elles disposent toutes d’un potentiel de développement en bio important étant donné que leurs activités de production et transformation, ainsi que leur consommation, sont soutenues et encadrées par les stratégies des régions flamande et wallonne. Finalement, la filière céréales est, elle, associée à la plus grande activité économique en termes d’emplois et établissements. Les autres filières présentent des résultats plus faibles sur cet aspect mais sont en voie de développement, notamment grâce à des soutiens de la RBC (BeCircular).

Studies

Financiering voor stadslandbouwprojecten

Het is voor ondernemers niet altijd eenvoudig om financiering te zoeken. Brussel Economie en Werkgelegenheid heeft een beslisboom ontwikkeld waarmee landbouwers gemakkelijker financiële ondersteuning vinden die is aangepast aan hun behoefte en hun profiel.

Lees de studie van Brussel Economie en Werkgelegenheid over de beschikbare overheidssteun (financiering en advies/begeleiding) in 2019 voor professionele stadslandbouwprojecten. De analyse bestaat in de vorm van een rapport en in de vorm van een ‘beslisboom’, die de verschillende oplossingen voor elke type actor grafisch weergeeft. Elke ‘tak’ van de boom leidt naar een overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor een specifiek type hulp. Op die manier kunnen (toekomstige) initiatiefnemers van Brusselse stadslandbouwprojecten hun weg vinden in het aanbod van publieke steun.

Documentatie

Facilitator Verpakkingen

Hoe zet je een duurzaam verpakkingssysteem op? Een facilitator adviseert en begeleidt u!

De productie van plastic afval blijft alle records breken en de kosten voor het beheer ervan worden steeds hoger, zowel economisch als ecologisch. Door duurzame verpakkingssystemen te implementeren, helpt u deze plaag te bestrijden en onze facilitator is er om u te helpen.

 

Een helpdesk en antwoorden op al uw vragen

Winkels, bedrijven, lokale overheden, scholen, sportclubs... velen van u gebruiken verpakkingen (food en non-food) als onderdeel van uw activiteiten. Via onze Helpdesk kan onze facilitator al uw vragen beantwoorden en u helpen bij het opzetten van duurzame verpakkingssystemen:

  • Afwasdiensten
  • Waarborgsystemen
  • Leveranciers van herbruikbare verpakkingen
  • Kosten, procedures en logistiek
  • De praktische organisatie van een evenement
  • Goede praktijken, contacten en tools

 

Een persoonlijke begeleiding

Wilt u individuele ondersteuning? Onze facilitator voert een diagnose uit van het verpakkingsmanagement binnen uw organisatie. Vervolgens doet hij aanbevelingen en biedt hij oplossingen op maat.

Overheidssteun

Infofiches Stadslanbouw - Reglementaire informatie

Bent u op zoek naar informatie over de regelgeving met betrekking tot het opstarten van uw stadslandbouwproject?

De antwoorden op uw vragen vindt u in deze informatiebladen van de Facilitator voor Stadslandbouw voor zowel volle grond als bovengrondse landbouw.

 

Volle grond landbouw

Voor welke inrichtingen is een milieuvergunning noodzakelijk?

Activiteiten, voorzieningen of producten die een effect kunnen hebben op het milieu en op de omgeving, zijn opgenomen in een lijst die werd opgesteld door de gewestelijke administratie. Ze worden in het algemeen "ingedeelde inrichtingen" genoemd.

Indien deze inrichtingen opgenomen zijn in de lijst van de ingedeelde inrichtingen, is een milieuvergunning (of een eenvoudige aangifte) noodzakelijk voor het uitoefenen van de activiteit, voor opslag of voor gebruik van de voorzieningen en de betrokken producten.

Er bestaan 6 klassen van milieuvergunningen (3, 2, 1D, 1C, 1B en 1A) volgens een toenemend milieueffect.

De noodzaak van een milieuvergunning manifesteert zich vooral voor stedelijke landbouwprojecten waarbij dieren worden geteeld of gewasbeschermingsmiddelen worden opgeslagen, of bij diversificatie door integratie van een transformatieprocedé voor plantaardige of dierlijke producten.

Hieronder vindt u voorbeelden met betrekking tot het mogelijke gebruik van de stadslandbouw:

  • Inrichting van klasse 3
  • Inrichting van klasse 2
  • Inrichting van klasse 1B en 1A

Opgelet: de milieuvergunningen hebben een beperkte duur. Ze kunnen evolueren met de tijd. Ze worden meestal afgeleverd voor een duur van 15 jaar, eventueel te verlengen.

De houder van een milieuvergunning kan deze overdragen aan een andere exploitant (overname van een activiteit via een procedure van titulariswijziging). Hij kan ook een aanvraag indienen om de inhoud ervan te wijzigen (verhoging van het activteitenvolume, diversificatie, nieuwe uitrustingen of gebruik van nieuwe producten die wijzigingen teweegbrengen in het risicobeheer…).

Links en hulpmiddelen:

Voor meer informatie:

Voor steun bij het opstellen van uw dossier voor de vergunningen, raadpleegt u:

  • Als particulier: uw gemeente.
  • Voor de ondernemingen: hub.brussels.

------------------

Inrichtingen van klasse 3 :

Gezien het beperkte milieueffect gaat het hier louter om een verplichte aangifte.

Deze aangifte kan – afhankelijk van het geval – onderworpen zijn aan eventuele betaling van administratieve kosten aan de gemeente.

Procedure

Het antwoord wordt binnen een termijn van 20 dagen afgeleverd, en de aangifte heeft meestal een onbeperkte duur.

In de praktijk is in de volgende gevallen een aangifte van klasse 3 voor een stedelijk landbouwproject vereist:

  • De kweek, de opvang, het hoeden of het houden van dieren (1 groot of 6 à 30 kleine dieren), met uitzondering van sommige vogels (rubriek 115), bijenkorven (rubriek 133) en vissen.
  • De generatoren, ontvangers (met uitzondering van zonnecelpanelen) met een vermogen tussen 100 en 250 kVA.
  • De koelsystemen van meer dan 10 kW maar minder dan 100 kW.

Deze aangifte kan bijvoorbeeld gelden voor:

  • Particulieren met een kippenhok (van 6 tot 30 kippen) in hun tuin.
  • Een tuinbouwer die niet anders kan dan een generator te installeren om zijn irrigatiepompen te laten werken op een perceel dat te ver van een elektriciteitsaansluiting verwijderd is.
  • De inrichting van een kleine koelruimte voor de opslag van voedsel in een stedelijke microboerderij.

Inrichtingen van klasse 2 :

De inrichtingen van klasse 2 hebben een bescheiden effect op het milieu en op de buurt.

Concreet is de milieuvergunning klasse 2 vereist voor activiteiten die typisch worden beoefend op schaal van een ambachtelijke KMO, in het kader van een diversificatie of een stroomafwaartse integratie van filières van stedelijke landbouwproducten.

Merk op dat de stedelijke landbouwer – voor zover hij geen te grote hoeveelheden risicoproducten opslaat, het vermogen van zijn uitrustingen beperkt tot 20 kW en zijn personeel beperkt tot minder dan 7 personen – zijn activiteiten mag diversifiëren zonder een vergunning klasse 1B of 1A te moeten aanvragen.

Procedure

Behoudens uitzonderingen (exploitatie door een rechtspersoon) wordt de vergunning klasse 2 afgeleverd door de gemeentelijke autoriteiten.

Het dossier bestaat uit een specifiek formulier waarin de plannen en verschillende beschrijvingen van de inrichtingen opgenomen zijn. Dit wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 15 dagen.

De kosten bedragen 125 euro; de indicatieve leveringstermijn is 60 dagen.

In de praktijk is in de volgende gevallen een milieuvergunning klasse 2 vereist voor een stedelijk landbouwproject (in de ruime zin):

  • De kweek, de opvang, het hoeden of het houden van 2 tot 30 grote dieren of van 31 tot 300 kleine dieren (behalve vissen), het kweken van 30 tot 300 vogels, meer dan 3 bijenkolonies in bijenkorven, evenals accommodaties voor dierenverkoop (behalve vissen).
  • De generatoren, ontvangers (met uitzondering van zonnecelpanelen) met een vermogen tussen 250 en 1000 kVA.
  • Koelsystemen van meer dan 100 kW, evenals ventilatiesystemen met een debiet van 20.000 à 100.000m³/u (bijv. grote serre).
  • Werkplaatsen voor de voedseltransformatie, uitgerust met drijfkracht tussen 2 en 20 kW, en met minder dan 7 mensen in dienst (bereiding, bewerking, conditionering, bewaring van producten van plantaardige of dierlijke oorsprong, met uitzondering van restaurantkeukens), met inbegrip van slagerij, bakkerij, banketbakkerij, zuivelbedrijf, kaasmakerij, vishandel…
  • Elektrische ovens met een nominaal vermogen van 20 à 200 kW.
  • Confectiewerkplaatsen op basis van dierlijke of plantaardige grondstoffen (huiden, haren, veren, resp. vlechtwerk, textiel…).
  • Composteercentra met een vermogen van 10 à 1000 ton per jaar.
  • De opslag van plantaardige of dierlijke grondstoffen (behalve afval), in een grootteorde van meestal 5 tot 50 ton.
  • De opslag van mest, gier, meststoffen (ook louter chemische) van 300 kg tot 50 ton.
  • De opslag van 100 tot 1000 kg aan niet-professionele gewasbeschermingsmiddelen of elke opslag van professionele varianten tot 100 kg.
  • De opslag van beenderen, kadavers en bijproducten van het slachten, van 250 kg tot 1 ton (25 à 500 kg voor bepaalde categorieën van dierlijk afval).
  • De detailverkoopwinkels van meer dan 1000m².

Voor de opslagplaatsen voor plantaardig materiaal, oliën, was en dierlijk vet (5 à 50 ton) en de detailverkoopwinkels van meer dan 1000m² is een gunstig advies van de DBDMH een voorvereiste voor de milieuvergunning.

Inrichtingen van klasse 1B en 1A :

De inrichtingen van klasse 1 hebben een belangrijk (1B) tot zeer belangrijk (1A) effect op de omgeving en de buurtschap. Voor deze inrichtingen is een milieuvergunning vereist, afgeleverd door Leefmilieu Brussel.

Procedure

De aanvraag omvat deze keer een gedetailleerd onderzoek van het effect van deze inrichtingen: een effectenrapport uitgevoerd door de aanvrager (1B) of een effectenstudie door een erkend studiebureau (1A).

De vraag wordt vervolgens voorgelegd aan het advies van technische experts en van de overlegcommissie, na openbaar onderzoek.

In de praktijk is in de volgende gevallen een milieuvergunning klasse 1B vereist voor een stedelijk landbouwproject (in de ruime zin):

  • De activiteiten opgesomd bij de inrichtingen van klasse 2, maar waarvoor de maximumgrens wordt overschreden (bijvoorbeeld: drijfkracht hoger dan 20 kW, of meer dan 300 vogels).
  • De slachthuizen (openbare en particuliere) voor gevogelte en andere kleine dieren, slachtdieren en andere grote dieren.
  • Dierentuinen, dierenparken die openstaan voor het publiek (bijv. kinderboerderij).
  • Bierbrouwerijen, mouterijen en distilleerderijen en werkplaatsen waar bijbehorende activiteiten plaatsvinden.
  • Biomethaniseercentra.
  • Inrichtingen die gebruik maken van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen of micro-organismen (GGM of GGO).
  • Bietenrasperij, productie en raffinage van suiker.
  • Werkplaatsen voor de bereiding van azijn en azijnderivaten.
  • Intensieve visteelt en aquacultuur van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten.
  • Vismeel- en visoliefabrieken.

Voor het fokken van meer dan 60.000 hennen of 85.000 kippen, of voor meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg en 900 plaatsen voor zeugen is dan weer een milieuvergunning van klasse 1A vereist.

 

Gebruik van pesticiden: lijst van toegestane producten, reglementaire toepassingsafstanden, hoeveelheden.

Gewasbeschermingsmiddelen zijn pesticiden die specifiek worden gebruikt om gewassen te beschermen tegen schadelijke organismen (o.a. insecticiden en fungiciden) of onkruid te bestrijden (herbiciden). Ze worden zowel in de landbouw als in tuinen gebruikt. Het gebruik van deze producten mag enkel worden overwogen als laatste redmiddel in het kader van de geïntegreerde strijd, d.w.z. wanneer alle niet-chemische (fysieke, manuele, mechanische, teelt-, thermische of biologische) alternatieve methoden ondoeltreffend blijken bij de controle van een schadelijk organisme onder een aanvaardbare drempel.

Keuze van het product

  • Het is verboden gewasbeschermingsmiddelen te houden of te gebruiken die niet toegelaten zijn in België. Alle producten die op de markt mogen worden gebracht in België kan u terugvinden door de federale website Fytoweb te raadplegen.  
    De producten voor amateurgebruik bevatten een "G" in hun toelatingsnummer voor garden (bijv. 9524G/B), terwijl de producten die voorbehouden zijn voor professioneel gebruik een "P" bevatten voor professioneel (bijv. 1044P/B)De toegelaten pesticiden zijn enkel toegestaan voor bepaalde teelten en bepaalde organismen. De dosis, gebruiksfrequentie en eventuele specifieke maatregelen om het risico te beperken (bv. bufferzones van 2 tot 30m, driftreducerend percentage...) die zijn opgenomen op fytoweb en op het etiket zijn bindend.
  • Opgelethet Brussels Hoofdstedelijk Gewest verbiedt ook het gebruik van bepaalde van deze producten op zijn grondgebied, zoals in het bijzonder de herbiciden op basis van glyfosaat en de insecticiden op basis van neonicotinoïden.
  • Indien u gecertificeerd bent in biologische landbouw of bezig bent met het certificeringsproces zal u bovendien de lijst van de actieve stoffen die toegelaten zijn in de biologische landbouw, die zijn opgenomen in bijlage II van de verordening (EG) nr. 889/2008 die van toepassing is, moeten naleven. Deze link bevat de lijst van producten die gehomologeerd zijn voor de biologische landbouw in België.

Fytolicentie

Beschikken over een fytolicentie van het type P2 of P3 (certificaat afgeleverd door de federale regering) is verplicht om gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik te kopen, op te slaan en te gebruiken. Een fytolicentie van type P1 volstaat voor de assistenten en arbeiders die de producten gebruiken, maar ze niet zelf kopen, kiezen of de voorraad beheren en die dus werken onder de autoriteit van een houder van een fytolicentie van type P2 of P3.  

Gebruik

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld door een reeks van gewestelijke en federale reglementaire bepalingen, die de nadelige gevolgen van pesticiden op de gezondheid van mens en dier en het leefmilieu willen beperken. Opgelet: de producten die kunnen worden gebruikt in de biologische landbouw, de biopesticiden en andere ecologisch gecertificeerde producten zijn ook gewasbeschermingsmiddelen en dus onderworpen aan dezelfde wetgeving als de synthetische moleculen.

Naast het zorgvuldig volgen van de instructies op het etiket van elk product moet u bijgevolg ook rekening houden met:

Opgelet: het gebruik van pesticiden is nooit zonder risico! Onafhankelijk van de aard van het product of het soort van behandeling raden we aan handschoenen van neopreen of nitril, een beschermingsbril of -masker en rubberen laarzen te dragen.  Bij ongevallen met pesticiden moet u contact opnemen met het Antigifcentrum op het nr. 070 245 245 (gratis oproep 24/7). De "aanwijzingen voor de geneesheer" en de "aanwijzingen voor eerste hulpverlening" bevinden zich op het etiket van elk gewasbeschermingsmiddel en moeten aan de contactpersoon worden bezorgd.  

Links en hulpmiddelen:

Wetgeving:

 

Welke reglementeringen en informatie zijn er aangaande de bodemkwaliteit?

In het sterk verstedelijkte Brusselse grondgebied dat vroeger gekenmerkt werd door industrie, vonden – en vinden nog steeds – activiteiten plaats die aan de basis liggen van verontreiniging van bodems en/of grondwater. Deze verontreinigingen vormen een risico voor de menselijke gezondheid en voor de ecosystemen. Het is uiteraard absoluut noodzakelijk hiermee rekening te houden bij alle plannen voor landbouw in de volle grond.

Leefmilieu Brussel is al meerdere jaren bezig met de inventarisering van mogelijk verontreinigde gronden. Deze inventaris steunt op de huidige en vroegere menselijke activiteiten op deze sites die als "risicovol" worden omschreven. De ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems bepaalt 5 bodemtoestandcategorieën voor de percelen die zijn opgenomen in de "inventaris van de bodemtoestand".

Een kaart van de Inventaris van de Bodemtoestand is online raadpleegbaar (http://geoportal.ibgebim.be/webgis/inventaire_sol.phtml) en toont alle percelen waarvan geweten is dat ze met verontreinigingsproblemen kampen. Anderzijds: indien een bodemattest gunstig is voor de geplande exploitatie, zal het project zélf kunnen leiden tot een nieuwe risicostudie.

Opgelet: er bestaan andere mogelijk verontreinigde, verontreinigde of behandelde percelen die niet op de kaart opduiken omdat ze nog niet gevalideerd werden!

Onder sommige voorwaarden is het ook mogelijk de bestaande bodemonderzoeken te verkrijgen: https://leefmilieu.brussels/themas/bodem/bodem-formulieren.

Het bodemattest is een wettelijk verplicht document dat onmisbaar is om een terrein te verkopen in Brussel of om een risicoactiviteit over te dragen aan een andere exploitant. Dit attest is verkrijgbaar bij: https://leefmilieu.brussels/themas/bodem/het-bodemattest/hoe-kan-ik-mijn-bodemattest-verkrijgen.

Links en hulpmiddelen:

 

Zijn genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) verboden in Brussel?

Artikel 5 van de ordonnantie betreffende de co-existentie van genetisch gemodificeerde teelten met gangbare en biologische teelten (3 april 2014) bepaalt dat "elke teelt van genetisch gemodificeerde planten in de open lucht  verboden is".

Dit verbod geldt niet voor serreteelten of andere gesloten teeltsystemen waar "de verspreiding van pollen geen enkele rol speelt".

Links en hulpmiddelen:

 

Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?

Wie een plek zoekt voor landbouwuitbating zal in een eerste reflex onderzoeken welke opportuniteiten nog beschikbaar zijn: grond is immers schaars en gezocht in dit Gewest dat steeds dichter bebouwd en meer verstedelijkt is. Welk terrein ligt braak en is bruikbaar? Welk gebouw is niet meer in gebruik en is geschikt voor reconversie?

  • De bestemmingen volgens het Gewestelijk Bodembestemmingsplan GBP
    Elk perceel op het grondgebied heeft een wettelijke bestemming, beslissend voor de toegestane activiteiten. In Brussel definieert het Gewestelijk Bodembestemmingsplan de bestemming van elke ruimte (groene ruimte, landbouwzones, woonzones…). Dit plan staat het hoogst in de hiërarchie: het heeft bindende kracht en reglementaire waarde.
  • De gemeentelijke lokale planning: het BPA
    Wat kleinere delen van het grondgebied aangaat, kunnen de gemeenten Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA’s) goedkeuren. Deze plannen met reglementaire waarde en bindende kracht moeten de toekomst van een wijk of (al dan niet bebouwd) huizenblok omkaderen volgens zijn/haar ligging en behoeften. Hierin worden gedefinieerd: het detail van de bestemmingen, de inplanting en volumetrie, de looplijn van wegen en toegangswegen…
  • De gemeentelijke strategische planning: het GemOP
    Sommige gemeenten beschikken over een Gemeentelijk Ontwikkelingsplan (GemOP). Deze plannen hebben een richtwaarde en leggen de strategische lijnen vast inzake aanleg en ontwikkeling van het gemeentelijk grondgebied. Duurzame ontwikkeling, stadslandbouw en ondersteuning voor lokale en geïntegreerde economie zijn krachtlijnen die hierin kunnen passen.
  • Een nieuw gewestelijk strategisch instrument: het RPA of Richtplan van Aanleg
    Het gewijzigde BWRO lanceert het RPA als instrument met het voordeel dat het zowel de strategische als de reglementaire aspecten van ruimtelijke ordening oriënteert. Met dit RPA kunnen voor gronden met specifieke uitdagingen (o.a. waar stadslandbouw mogelijk zou zijn) grote aanlegprincipes vastgelegd worden, en kan een reglementaire waarde eraan gekoppeld worden voor bepaalde voorzieningen. Het herroept de bepalingen van andere plannen die er strijdig mee zijn (GBP, BPA, GSV of GSR, verkavelingsvergunning).
  • De stadslandbouw tegenover een zeker juridisch vacuüm
    Belangrijke precisering: de meeste van deze plannen (behalve het RPA) werden opgesteld vóór de revival van de stadslandbouw. Dit verklaart waarom hun bepalingen helemaal geen rekening houden met deze functie als mogelijke activiteit die haar plaats heeft in de stad.

Om de hiërarchie van de plannen en de recente reglementaire evoluties te begrijpen:

Vademecum over de hervorming van het BWRO (13 december 2017)

Links en hulpmiddelen:

 

Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?

De landschappelijke, historische, erfgoed-, of ecologische kwaliteit van het Brussels Gewest houdt vast aan de bescherming van bepaalde sites of panden die erkenning genieten voor hun uitzonderlijke of opvallende waarde. Dergelijke plekken kunnen op het eerste gezicht geschikt lijken voor stadslandbouw maar evenzeer onderhevig zijn aan wettelijke vereisten.

Vaak is er een combinatie van beschermingsmiddelen voor eenzelfde site.

  • Groene zones met hoge biologische waarde
    Het GBP (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?") heeft een dertigtal sites bestemd tot groene zone met hoge biologische waarde. Ze liggen vaak op de gewestrand, waar een belangrijk niveau van behoud en regeneratie van het natuurlijke milieu gerechtvaardigd is. Handelingen en werken zijn er ernstig beperkt en altijd georiënteerd op bescherming van het milieu of van soorten.
  • Natuurreservaten
    Het Gewest telt 14 natuurreservaten (130 ha), veeleer zeldzame milieus in Brussel met hun kwaliteiten op het vlak van landschap en biodiversiteit: valleien, moeras, grasland, bos, bronnen en waterlopen… Stadslandbouw is er niet noodzakelijk uitgesloten, maar elk landbouwproject moet deze natuurlijke rijkdommen beschermen of zelfs versterken. De Ordonnantie betreffende het natuurbehoud is er van toepassing.
  • Zone Natura 2000
    Meerdere sites en natuurreservaten maken deel uit van het Europese netwerk Natura 2000. Het gaat om drie zones in Brussel. De bescherming is er versterkt: het Gewest heeft zich immers ertoe geëngageerd om het behoud op lange termijn van specifieke habitats en hun opmerkelijke soorten te garanderen. Toch sluit dit niet alle vormen van landbouw uit.
  • Beschermde gebouwen, sites of monumenten
    (Semi-)natuurlijke sites, openbare of privégebouwen, monumenten, opmerkelijke bomen worden beschermd wegens hun erfgoedkundig belang en de sleutelrol die ze spelen als getuige en erfenis van een bepaalde tijd. De beschermingsmaatregel is de toevoeging aan de inventaris, of op de lijst voor bescherming. De effecten zijn verschillend, maar voor elk project wordt een specifiek onderzoek gevoerd.

Links en hulpmiddelen:

 

Welke wetgevingen betreffen de ontwikkeling van activiteiten in stadslandbouw?

Een landbouwproject in een stedelijke omgeving inplanten en runnen, veronderstelt dat men alle geldende reglementering naleeft. Om op de hoogte te zijn van de verplichtingen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening moet men de volgende zaken nagaan:

  • De gevolgen van de kenmerken van het project (gebruik van de bodem en het gebouw, eventuele nieuwe constructie, landbouw in volle grond, in bakken of op het dak, soort teelt, enz.)
  • De locatie van het project:
    Men moet zich afvragen welke locatie voor het project wenselijk is (afhankelijk van de nodige ruimte, de mogelijkheden en de eigenschappen van de buurt…) en daarnaast moet men ook nagaan  waar een vestiging mogelijk is.
  • De geldende wetgeving:
    Er zijn verschillende gewestelijke en gemeentelijke plannen, ordonnanties en wetten, van toepassing met een impact die kan verschillen van wijk tot wijk en van perceel tot perceel. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest legt het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) de stedenbouwkundige regels vasten bepaalt het in dit verband de hiërarchie tussen de verschillende bestuursniveaus. Het BWRO werd recent gewijzigd (hervorming: Ordonnantie van 13/10/2017).
  • De geldende plannen:
    GBP (Gewestelijk Bodembestemmingsplan) – BPA (Bijzonder Plan van Aanleg) – RPA (Richtplan van Aanleg):
    Deze plannen organiseren het grondgebied op schaal van zones, gebieden, wijken, huizenblokken. Ze bestaan uit schriftelijke en grafische (kaarten) voorschriften. Zij bepalen de bestemmingen per zone en de activiteiten die er al dan niet ontwikkeld mogen worden (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?").
  • De stedenbouwkundige reglementen:
    GSV (Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening) – GemSV (Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening) – GGemSV (Gezoneerde Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening): deze reglementeringen bepalen de verplichtingen en normen die gelden op het niveau van het perceel, het gebouw en zijn onmiddellijke omgeving. Ze omkaderen de integratie van een project in de wijk en de bebouwing eromheen (zie Infofiches "Welke vergunning en reglementering voor de inrichting van infrastructuren op het dak?" en "Welke vergunning en reglementering voor indoor stadslandbouw-project?", rubriek Bovengronds – Reglementaire informatie).
  • De stedenbouwkundige vergunning:
    Deze is vaak nodig om stadslandbouwprojecten te realiseren: voor de inplanting van nieuwe infrastructuren of technische lokalen, of gewoon om de bestemming - en het gebruik - van een al dan niet bebouwde plek te wijzigen (zie Infofiches "Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouwproject?", "Welke vergunning en reglementering voor de inrichting van infrastructuren op het dak?" en "Welke vergunning en reglementering voor indoor stadslandbouw-project?", rubriek Bovengronds – Reglementaire informatie).
  • De bescherming van het erfgoed en van de biodiversiteit:
    Daarnaast zijn er ook nog specifieke maatregelen voor bescherming van sites met hoge ecologische, historische of erfgoedwaarde. Specifieke regels beogen hun bescherming en kunnen bepaalde projecten beteugelen. Cartografische tools helpen u handig om de betrokken geografische zones te identificeren (zie Infofiche "Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?").

Opgelet: afhankelijk van de technische specificiteiten hebben inrichtingen voor stadslandbouw soms ook een milieuvergunning nodig (zie Infofiche "Voor welke inrichtingen is een milieuvergunning noodzakelijk?").

De betrokken projecten moeten zich ook schikken naar de voedselnormen van het FAVV en in voorkomend geval naar de eigen normen voor certificaten en labels (bio, criteria Good Food), enz.

Algemene Info: https://stedenbouw.irisnet.be/spelregels/het-brussels-wetboek-van-ruimtelijke-ordening-bwro

Links en hulpmiddelen:

 

Hoe vind ik een geschikte site voor mijn project?

Eerst is een evaluatie nodig van de inherente behoeften van de activiteit, in termen van ruimte in open lucht en ruimte in hetgeen gebouwd is, de noodzakelijke minimumoppervlakte, de bereikbaarheid, nabijheid of integendeel afstand tot het dichte stadsweefsel.

Het Brussels Gewestelijk grondgebied biedt weliswaar beperkte maar optimaliseerbare mogelijkheden:

  • Een stadslandbouw-project in de volle grond, op grote oppervlakte ontwikkelen
    De excentrisch gelegen wijken in de tweede kroon en naast de ring hebben nog beschikbare terreinen van min of meer grote afmetingen. Sommige werden altijd al geëxploiteerd door een landbouwactiviteit, andere veranderden gedeeltelijk of volledig van bestemming, nog andere liggen nog braak.
    Het is belangrijk zich te richten op enerzijds de bestaande situatie, anderzijds de bestemming die wordt toegestaan volgens de geldende plannen (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?").
  • Een stadslandbouw-project in de volle grond, op kleine oppervlakte ontwikkelen
    Overal in het stedelijke weefsel kunnen kleine ruimtes weer ingepalmd worden voor gewassen, groenteteelt en (klein)veeteelt (zie Infofiche "Hoe pas ik mijn landbouwproject aan de beperkte oppervlakte van de productiesites in Brussel aan?", rubriek Technische informatie). Voorwaarde is natuurlijk dat alle vereiste voorwaarden en vergunningen verenigd zijn, en vooral ook een akkoord met de eigenaar van de locatie (zie Infofiche "Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouwproject?").
  • Een stadslandbouw-project zonder grond
    In het bebouwde weefsel worden vele locaties momenteel niet uitgebaat: ze zijn klaar voor reconversie, voor een nieuwe bestemming, beschikbaar en potentieel bruikbaar. De typologie is breed: kleinere en grotere kelders, industriële ruimtes, oude werkplaatsen en opslagplaatsen, zichtbaar vanaf de straat of in huizenblokken, op daken, achter muren… en wachtend op een bestemming…

Links en hulpmiddelen:

 

Welke soorten contracten zijn er voor de terbeschikkingstelling van een productiesite?

Vanuit het oogpunt van de landbouwer is toegang tot landbouwgronden onontbeerlijk voor het welslagen van zijn project. Idealiter moet de projectdrager voor de hele duur van zijn project een terrein tot zijn beschikking hebben. De pachtovereenkomst (voor negen jaar, hernieuwbaar, of een loopbaanpacht) is een overeenkomst tegen betaling die wordt geregeld door de pachtwet en niet zelden geschikt is voor deze doelstelling, maar in de huidige omstandigheden niet vanzelfsprekend is door het wantrouwen van de eigenaars.

Een bruikleenovereenkomst is een kosteloze overeenkomst van bepaalde duur tussen de eigenaar en de landbouwer, en kan ook voor de nodige stabiliteit zorgen.

Tot slot is er een derde mogelijkheid, namelijk de erfpachtovereenkomst van minstens 27 jaar, die in het bijzijn van een notaris moet worden getekend.

Vanuit het oogpunt van de eigenaar zal de duur van terbeschikkingstelling van zijn terrein een belangrijke vraag zijn bij zijn afweging. Aangezien een landbouwproject voor zijn volle ontwikkeling een langetermijnvisie vergt, is de contractduur uiterst belangrijk voor de landbouwer.

Overigens mag men niet uit het oog verliezen dat een eigenaar die duurzame landbouw op zijn terreinen wenst, dus landbouw die de principes van het BIO-bestek naleeft, deze wens niet via de pachtovereenkomst zal kunnen regelen, wegens de teeltvrijheid die als principe door de wet wordt opgelegd. De bruikleenovereenkomst of de erfpachtovereenkomst zijn echter soepeler; zij kunnen wel een dergelijk beding bevatten.

Dit zijn een aantal mogelijke overeenkomsten:

  1. De pachtovereenkomst
  2. De bruikleenovereenkomst
  3. De erfpachtovereenkomst

De keuze van het soort overeenkomst en de specifieke inhoud ervan zijn het resultaat van onderhandelingen tussen de eigenaar en de gebruiker, rekening houdend met de beperkingen en mogelijkheden volgens de geldende wetgeving.

  1. Pacht

Dit is een van de belangrijke huurvormen die op specifieke wijze wordt geregeld door de wet en in het Burgerlijk Wetboek staat. In algemene zin kan deze overeenkomst de terbeschikkingstelling regelen van landbouwgronden via huur (landhuur genoemd), als ze overwegend bestemd zijn voor landbouwexploitatie, waarvan de producten voornamelijk dienen om verkocht te worden.

  • Een paar kenmerken van de pacht beschermen de landbouwer: zeer lange duur, lage pachtprijs, teeltvrijheid, mogelijke vererving ten gunste van de kinderen, recht van voorkoop (voorkeur bij tekoopstelling).
  • Dikwijls vermijden grondeigenaars dit soort huurovereenkomsten, want een op basis van een pachtovereenkomst gebruikt terrein is doorgaans minder waard dan onontgonnen grond, aangezien de eventuele verkrijger het contract met de gebruiker slechts onder strikte voorwaarden kan opzeggen, zoals het terrein persoonlijk willen bewerken voor minstens negen jaar.

Wettelijke grondslag:

  • De pachtovereenkomst staat in het Burgerlijk Wetboek. Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 3 bevat de "Regels betreffende de pacht in het bijzonder". Deze wet kan worden geraadpleegd in het Belgisch Staatsblad. Door de zesde staatshervorming een gewestbevoegdheid geworden sinds 2014.
  1. Bruikleenovereenkomst

Deze overeenkomst regelt de relatie tussen een eigenaar en een huurder als de eerste zijn goed, bijvoorbeeld een terrein, kosteloos in bruikleen wil geven, opdat de laatste er op een welomschreven manier gebruik zou van maken, een soort dienstverlening.

  • Is een contractvorm die niet eigen is aan de landbouw, en die enkel kan worden toegepast als men uitdrukkelijk bepaalt dat het bruikleen kosteloos is en uiteraard wezenlijk overeenstemt met een dienstverlening (zo niet riskeert men bij een geschil een herkwalificatie als pachtovereenkomst door de rechter).
  • Kan al dan niet voor een bepaalde duur worden gesloten, bijvoorbeeld tot het einde van het landbouwproject, tot het einde van het gebruik waarvoor het goed te leen werd gegeven.

Wettelijke grondslag:

  • De bruikleenovereenkomst staat in het Burgerlijk Wetboek, namelijk artikel 1874 en volgende. Het voordeel van deze overeenkomst is dat ze over een eigen wetgeving beschikt, met duidelijk na te leven principes. Dit kader zorgt voor een evenwicht tussen de behoeften van de landbouwer en de wensen van de eigenaar.
  1. Erfpacht

Dit is de overeenkomst waarbij de houder, de erfpachter, een tijdelijk – 27 tot 99 jaar – zakelijk recht toevertrouwd krijgt: tijdens de pacht en binnen de grenzen van de geldende voorschriften beschikt hij over het volle genot van het goed en kan hij alle rechten uitoefenen die aan het goed verbonden zijn, zonder dat hij er vermogensrechtelijk de eigenaar van is. Deze overeenkomst geeft de gebruiker veel zekerheid, en wordt trouwens vaak quasi-eigendom genoemd.

  • Wordt via notariële akte opgesteld, voor lange termijn, namelijk voor een periode die tussen 27 en 99 jaar moet bedragen, met een verschuldigde vergoeding, de "canon" genoemd.
  • Is gegrond op de waardevermeerdering en de verbetering van het goed, waarbij werken en aanplantingen mogelijk zijn en constructies kunnen worden opgetrokken, op voorwaarde dat de fondswaarde niet vermindert en dat de geldende (bijvoorbeeld stedenbouwkundige) wetgeving wordt nageleefd.

Wettelijke grondslag:

Links en hulpmiddelen:

 

Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouw-project?

Vooraleer zich te vestigen en handelingen en activiteiten uit te voeren, is het altijd aangewezen te controleren of een stedenbouwkundige vergunning (SV) nodig is. Deze vergunning, uitgereikt door de gemeente of soms door het Gewest, geeft toestemming tot uitvoering van handelingen of werkzaamheden zoals bouw of renovatie van een gebouw, wijziging van bestemming van de site, gevoelige wijziging van het bodemreliëf, ontbossing, plaatsing van uithangbord, wegwijziging, enz.

  • Te volgen procedure
    Ga op zoek naar correct advies. De betrokken gemeente is uw eerste gesprekspartner: op basis van een beschrijving en/of schema kan een openbare dienst de eigenschappen van het project en van de site onderzoeken. Zij maken u wegwijs in modaliteiten en te ondernemen stappen. Opgelet: de SV moet absoluut afgeleverd zijn vóór de uitvoering van werken; dit zal enkele maanden duren.
  • Werken "van geringe omvang"
    Vooraleer ons te verdiepen in de vele facetten van deze procedures bekijken we eerst de zogenaamde "werken van geringe omvang". Deze kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp van een vereenvoudigde procedure zijn, voor zover de geldende wetgeving gerespecteerd wordt. Er werd een uitgebreide lijst goedgekeurd.
  • Indien een stedenbouwkundige vergunning vereist is
    De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende stedenbouwkundige plannen en reglementen. In sommige gevallen kunnen afwijkingen op de reglementen worden toegestaan, op voorwaarde dat ze expliciet worden gerechtvaardigd door de aanvrager, en goedgekeurd door de overheid die de vergunning aflevert.

Links en hulpmiddelen:

 

Welke vergunningen zijn er nodig en welke regels moeten er gevolgd worden voor een stadslandbouwproject?

Inleiding

Vooraleer van start te gaan en allerlei werken aan te vatten, is het altijd raadzaam na te gaan of een stedenbouwkundige vergunning (SV) vereist is en welke stedenbouwkundige regels nageleefd moeten worden, zelfs als er geen vergunning nodig is. De vergunning is een door de gemeenten of in sommige gevallen door het Gewest verleende toelating om handelingen of werken uit te voeren die nodig zijn om de locatie in te richten en de landbouwactiviteit mogelijk te maken.

Voor welke handelingen en werken is een vergunning vereist?

Het BWRO (artikel 98, § 1) bepaalt welke handelingen en werken een vergunning vereisen. Het doel bestaat erin de technische conformiteit, de stevigheid, de veiligheid, het esthetische aspect en de integratie in de natuurlijke en bouwomgeving te waarborgen. De lijst die vervat is in het BWRO is niet specifiek afgestemd op de stadslandbouw (die nog zeer beperkt was op het ogenblik dat de voorschriften opgesteld werden). Niettemin kunnen we volgende handelingen en werken vermelden (zonder volledig te willen zijn):

  • Bouw of renovatie van een gebouw (voor landbouw-, woon-, opleidings- of andere doeleinden);
  • Installatie van infrastructuur zoals landbouwserres, stallingen voor dieren, opslaglokalen, tanks;
  • Bestemmingswijziging van een locatie (in het bijzonder voor binnenproductie waarbij een niet voor productie bestemd gebouw aangepast wordt of voor landbouwactiviteiten op het dak);
  • Aanzienlijke wijziging van het bodemreliëf, met inbegrip van bijvoorbeeld het graven van een vijver;
  • Boring van een put;
  • Ontbossing, vellen, verplaatsen en alle andere handelingen die hoogstammige bomen in gevaar brengen, maar meer algemeen ook elke wijziging van de vegetatie in beschermde gebieden;
  • Plaatsing van een uithangbord;
  • Wijziging van wegenis, wijzigingen inzake toegankelijkheid en toegangswegen.

Werken “van geringe omvang”

De zogeheten werken “van geringe omvang” kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp uitmaken van een vereenvoudigde procedure (zonder advies van bepaalde instanties, zonder verplichte inschakeling van een architect), voor zover ze voldoen aan de geldende regelgeving. De volledige lijst werd aangenomen bij regeringsbesluit. In de gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten wordt een selectie gegeven van elementen die betrekking kunnen hebben op projecten voor stadslandbouw (p. 28 van de gids). Het Gewest werkt momenteel aan een herziening van deze lijst en van het besluit.

Welke plannen en verordeningen zijn van toepassing?

De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende plannen (zie infofiche “Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?”) en de geldende stedenbouwkundige verordeningen (gewestelijk: GSV, gemeentelijk: GemSV, specifiek: SGemV of zonaal: ZGemV. De huidige GSV dateert van 2006 en omvat geen specifieke regels voor de stadslandbouw. Deze verordening wordt momenteel herzien. In bepaalde gevallen kunnen afwijkingen van de verordeningen toegestaan worden, op voorwaarde dat ze uitdrukkelijk verantwoord worden door de aanvrager, het voorwerp uitmaken van de speciale regelen van openbaarmaking en goedgekeurd worden door de overheid die de vergunning afgeeft.

In de praktijk zijn de buurtbewoners vaak op hun hoede voor projecten met verhoging en/of inname van dakruimten en binnenterreinen van huizenblokken, vooral als het project gesitueerd is in overwegend residentiële wijken.

Te volgen procedure

Het is nuttig te beginnen met een beschrijving en een locatieschema, dat als basis zal dienen voor de analyse van de reglementaire voorwaarden, vereisten en implicaties.  Win goede raad in. De betrokken gemeente is een belangrijke gesprekspartner: ze kan als openbare dienst de kenmerken van het project en de locatie onderzoeken. De gemeente zal u verder wegwijs maken. Op gewestelijk niveau beschikt hub.brussels over een dienst die projectdragers helpt met aanvragen voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen. Een SV-aanvraag moet ingediend worden aan de hand van een SV-aanvraagformulier (bijlage 1) dat hier gedownload kan worden. Opgelet: de uitvoering van de werken mag niet aangevat worden voordat de SV is afgegeven en het verkrijgen ervan neemt enkele maanden in beslag.

Welke vergunning(en) voor welke infrastructuur?

Belangrijk: er gelden specifieke en strengere regels voor beschermd erfgoed (zie infofiche “Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?”).

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vergunningen die desgevallend nodig zijn voor het installeren van landbouwinfrastructuur. Zoals eerder aangegeven is specifieke infrastructuur voor stadslandbouw een recent gegeven waarvan de stedenbouwkundige implicaties nog niet tot uiting komen in de regelgeving. De onderstaande informatie is dan ook een vrije interpretatie van de bestaande regelgevingen en moet afgetoetst worden met de dienst stedenbouw van uw gemeente.

Meer details over vrijstellingen (van SV, van het advies van de gemeente of het Gewest, van de verplichting een beroep te doen op een architect) zijn te vinden op pagina 30 van de Gids en stand van zaken van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten.

InfrastructuurSV?Vrijstelling van SV?Milieuvergunning?
Bouw van een gebouwJa Nee
Renovatie van een gebouwJaAls de renovatie beperkt blijft tot het plaatsen of wegnemen van binneninstallaties zoals sanitaire, elektrische, verwarmings-, isolatie-, verluchtings- of telecommunicatie-installaties.Nee
SerresJa Nee
Stallingen voor dieren, opslagruimten (hut, container, enz.)JaEnkel voor bijgebouw van max. 9m², max. 3m hoog, vrijstaand van het hoofdgebouw in het gebied voor koeren en tuinenNee
TanksJaAls grondinname <9m² of indien ingegravenNee
VijversJaIndien siervijver van max. 20m² in het gebied van koeren en tuinen op min. 2 m van de naburige eigendommen.Nee
BoringJa Ja
OntbossingJa

Snoeien van levende takken met een omtrek van minder dan 10 cm

Uitroeiing van invasieve soorten

Vellen van dode bomen

Nee
Wijziging van wegenisJa Nee

Links en bronnen

  • Praktische stedenbouwgids (2014)
  • Gewestelijke dienst: https://hub.brussels/nl/services/stedenbouwkundige-vergunning/https://hub.brussels/nl/services/
  • Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 november 2008 gekend als besluit “geringe omvang”.
  • Gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten

    Inleiding

    Vooraleer van start te gaan en allerlei werken aan te vatten, is het altijd raadzaam na te gaan of een stedenbouwkundige vergunning (SV) vereist is en welke stedenbouwkundige regels nageleefd moeten worden, zelfs als er geen vergunning nodig is. De vergunning is een door de gemeenten of in sommige gevallen door het Gewest verleende toelating om handelingen of werken uit te voeren die nodig zijn om de locatie in te richten en de landbouwactiviteit mogelijk te maken.

    Voor welke handelingen en werken is een vergunning vereist?

    Het BWRO (artikel 98, § 1) bepaalt welke handelingen en werken een vergunning vereisen. Het doel bestaat erin de technische conformiteit, de stevigheid, de veiligheid, het esthetische aspect en de integratie in de natuurlijke en bouwomgeving te waarborgen. De lijst die vervat is in het BWRO is niet specifiek afgestemd op de stadslandbouw (die nog zeer beperkt was op het ogenblik dat de voorschriften opgesteld werden). Niettemin kunnen we volgende handelingen en werken vermelden (zonder volledig te willen zijn):

    • Bouw of renovatie van een gebouw (voor landbouw-, woon-, opleidings- of andere doeleinden);
    • Installatie van infrastructuur zoals landbouwserres, stallingen voor dieren, opslaglokalen, tanks;
    • Bestemmingswijziging van een locatie (in het bijzonder voor binnenproductie waarbij een niet voor productie bestemd gebouw aangepast wordt of voor landbouwactiviteiten op het dak);
    • Aanzienlijke wijziging van het bodemreliëf, met inbegrip van bijvoorbeeld het graven van een vijver;
    • Boring van een put;
    • Ontbossing, vellen, verplaatsen en alle andere handelingen die hoogstammige bomen in gevaar brengen, maar meer algemeen ook elke wijziging van de vegetatie in beschermde gebieden;
    • Plaatsing van een uithangbord;
    • Wijziging van wegenis, wijzigingen inzake toegankelijkheid en toegangswegen.

    Werken “van geringe omvang”

    De zogeheten werken “van geringe omvang” kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp uitmaken van een vereenvoudigde procedure (zonder advies van bepaalde instanties, zonder verplichte inschakeling van een architect), voor zover ze voldoen aan de geldende regelgeving. De volledige lijst werd aangenomen bij regeringsbesluit. In de gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten wordt een selectie gegeven van elementen die betrekking kunnen hebben op projecten voor stadslandbouw (p. 28 van de gids). Het Gewest werkt momenteel aan een herziening van deze lijst en van het besluit.

    Welke plannen en verordeningen zijn van toepassing?

    De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende plannen (zie infofiche “Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?”) en de geldende stedenbouwkundige verordeningen (gewestelijk: GSV, gemeentelijk: GemSV, specifiek: SGemV of zonaal: ZGemV. De huidige GSV dateert van 2006 en omvat geen specifieke regels voor de stadslandbouw. Deze verordening wordt momenteel herzien. In bepaalde gevallen kunnen afwijkingen van de verordeningen toegestaan worden, op voorwaarde dat ze uitdrukkelijk verantwoord worden door de aanvrager, het voorwerp uitmaken van de speciale regelen van openbaarmaking en goedgekeurd worden door de overheid die de vergunning afgeeft.

    In de praktijk zijn de buurtbewoners vaak op hun hoede voor projecten met verhoging en/of inname van dakruimten en binnenterreinen van huizenblokken, vooral als het project gesitueerd is in overwegend residentiële wijken.

    Te volgen procedure

    Het is nuttig te beginnen met een beschrijving en een locatieschema, dat als basis zal dienen voor de analyse van de reglementaire voorwaarden, vereisten en implicaties.  Win goede raad in. De betrokken gemeente is een belangrijke gesprekspartner: ze kan als openbare dienst de kenmerken van het project en de locatie onderzoeken. De gemeente zal u verder wegwijs maken. Op gewestelijk niveau beschikt hub.brussels over een dienst die projectdragers helpt met aanvragen voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen. Een SV-aanvraag moet ingediend worden aan de hand van een SV-aanvraagformulier (bijlage 1) dat hier gedownload kan worden. Opgelet: de uitvoering van de werken mag niet aangevat worden voordat de SV is afgegeven en het verkrijgen ervan neemt enkele maanden in beslag.

    Welke vergunning(en) voor welke infrastructuur?

    Belangrijk: er gelden specifieke en strengere regels voor beschermd erfgoed (zie infofiche “Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?”).

    Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vergunningen die desgevallend nodig zijn voor het installeren van landbouwinfrastructuur. Zoals eerder aangegeven is specifieke infrastructuur voor stadslandbouw een recent gegeven waarvan de stedenbouwkundige implicaties nog niet tot uiting komen in de regelgeving. De onderstaande informatie is dan ook een vrije interpretatie van de bestaande regelgevingen en moet afgetoetst worden met de dienst stedenbouw van uw gemeente.

    Meer details over vrijstellingen (van SV, van het advies van de gemeente of het Gewest, van de verplichting een beroep te doen op een architect) zijn te vinden op pagina 30 van de Gids en stand van zaken van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten.

    InfrastructuurSV?Vrijstelling van SV?Milieuvergunning?
    Bouw van een gebouwJa Nee
    Renovatie van een gebouwJaAls de renovatie beperkt blijft tot het plaatsen of wegnemen van binneninstallaties zoals sanitaire, elektrische, verwarmings-, isolatie-, verluchtings- of telecommunicatie-installaties.Nee
    SerresJa Nee
    Stallingen voor dieren, opslagruimten (hut, container, enz.)JaEnkel voor bijgebouw van max. 9m², max. 3m hoog, vrijstaand van het hoofdgebouw in het gebied voor koeren en tuinenNee
    TanksJaAls grondinname <9m² of indien ingegravenNee
    VijversJaIndien siervijver van max. 20m² in het gebied van koeren en tuinen op min. 2 m van de naburige eigendommen.Nee
    BoringJa Ja
    OntbossingJa

    Snoeien van levende takken met een omtrek van minder dan 10 cm

    Uitroeiing van invasieve soorten

    Vellen van dode bomen

    Nee
    Wijziging van wegenisJa Nee

    Links en bronnen

 

Ik wil een moestuin aanleggen op een dak. Wat zijn de aandachtspunten (technisch, inzake veiligheid en toegankelijkheid en wettelijk) met het oog op mijn voorontwerp?

Inleiding

Hieronder volgen de in aanmerking te nemen aandachtspunten bij het verkennend bezoek en de uitwerking van uw voorontwerp.

Een dakproject is veeleisender dan een project in volle grond: teelt uit de grond is immers in grotere mate afhankelijk van menselijke handelingen aangezien het een kunstmatige situatie betreft.

Link: Vademecum teeltbakken

Draagvermogen van het dak

Kan het dak de bijkomende belasting door het moestuinproject dragen?

Een bouwkundig ingenieur (in bijzondere technieken) moet het “draagvermogen” van de structuur van het gebouw en van de isolatie berekenen.

Vooraf moet u de nodige documenten voor die berekeningen verzamelen:

  • De plannen van het gebouw waaruit de kenmerken van de structuur en de isolatie blijken;
  • Het postinterventiedossier (PID) als het een nieuw gebouw betreft

Waar vind ik die documenten?

  • Bouwheer, eigenaar of huidige huurder van het gebouw
  • Dienst stedenbouw van de gemeente (archief)
  • Architect die de werken heeft uitgevoerd

Algemeen geldt dat vooral de dragende structuren (balken, pijlers en wanden) belast worden. Daarom worden de bakken in sommige dakmoestuinen op de buitenrand van het dak geplaatst.

Lees ook de FAQ: “Wat is het gewicht van moestuinen?”

Welke soort moestuin hebt u op het oog?

Volgens de dikte van het substraat onderscheiden we drie daktypes:

DaktypeDikte van het substraat
extensief10-12 cm
semi-intensief15-30 cm
intensiefvanaf 30 cm

Afbeelding 1. Bron: https://www.guidebatimentdurable.brussels/nl/3-samenstelling.html?IDC=7…

Die keuze hangt af van:

De keuze van de dikte van het substraat hangt af van de gewassen die geplant worden. Bijvoorbeeld:

  • 10-15 cm: aromatische kruiden
  • 15-20 cm: bladgroenten en andere kleine groenten zoals uien, look, radijzen, …
  • 20-30 cm: wortelgroenten, komkommerachtigen en kleine fruitplanten
  • 50-60 cm: kleine fruitstruiken

Bereikbaarheid van het dak

  • Hoe het dak bereiken?
  • Wie moet toegang hebben tot het dak?
  • Welke materialen moeten ernaartoe gebracht worden en hoe vaak?

De brandweer

De brandweer zal u informeren over de veiligheidsvereisten inzake de toegang tot het dak. (DBDMH in Brussel)

Bezoek ter plaatse

Tijdens het verkennend bezoek voorafgaand aan het project kan u al een aantal punten optekenen.

  1. Moet men om het dak te bereiken:
  • een buitentrap nemen?
  • het gebouw binnengaan?
  • passeren door lokalen die gebruikt worden voor activiteiten die geen verband houden met de moestuin?
  • voorzien in verbouwingen om de veiligheid van die onbetrokken lokalen te waarborgen?
  1. Hoe het hand- en mechanisch gereedschap, de teeltbenodigdheden, het substraat, enz. aanvoeren?
  2. Welke weg zal de oogst volgen tussen het dak en de klant?
  3. Hoe het niet ter plaatse bruikbare afval afvoeren dat de activiteit genereert (zieke gewasresten, niet-composteerbare verpakkingen van teeltbenodigdheden, enz.)?
  4. Moet er voorzien worden in een vrachtlift en zo ja van welke afmetingen en waar?

Veiligheid en wetgeving

Bij het opzetten van dakprojecten is een voorafgaande stedenbouwkundige en regelgevingsanalyse onontbeerlijk. Ga na of uw dakproject beantwoordt aan de veiligheidsvoorschriften, de brandnormen en de stedenbouwkundige voorschriften.

U vindt de te volgen stappen in

A.    Brandpreventie

Verhoogt uw moestuinproject het brandrisico voor het gebouw?

De DBDMH controleert elk jaar de brandveiligheid en gaat na of er voldaan is aan de regelgeving er zake (brandpreventie).

Tel.: +32 (0)2 208 81 11

e-mail: info@firebru.brussels

Website: https://pompiers.brussels/fr of https://pompiers.brussels/nl

Daarbij komen verschillende punten aan bod:

  • De evacuatie van personen;
  • De indeling van de teeltzone in compartimenten om de verspreiding van het vuur tegen te gaan;
  • De vuurbestendigheid van de materialen van het omhulsel van het gebouw (Brooth-attesten vereist);
  • De toegankelijkheid voor de brandweer;
  • De blusmiddelen die ter beschikking zijn of geïnstalleerd moeten worden (mobiele brandblusser, haspel, enz.);
  • De methodes of toestellen voor de moestuinactiviteit die risico inhouden (opslag van droog materiaal, van brandstof, enz.).

B.    Preventieve veiligheid: borstwering

Zowel de officiële toegangszone als het dak moeten ingericht worden.

Om verkeer op het dak mogelijk te maken is een borstwering van minstens 1067 mm vereist over de ganse omtrek van het dak.

De zonale verordening legt verplichtingen op inzake:

  • De afstand tussen de borstwering en de dakrand;
  • Het gebruik van de ruimten;
  • De maximale hoogte van het gebouw.

Bij bepaalde projecten wordt een doorlopende rij teeltbakken gebruikt om de borstwering te vormen.

WATER-beheer

Tijdens de voorbereiding van het project kan niet voorbijgegaan worden aan de waterbevoorrading en -afvoer.

Met het gewicht van het water dat nodig is voor de teelt moet ook rekening gehouden worden bij de berekening van de “draagcapaciteit”.

A) Bevoorrading

Welke bevoorradingsbron zal er gebruikt worden voor de bewatering van de gewassen?

  • Leidingwater (aansluiting op een waterleiding);
  • Systeem voor opvang van regenwater (bij voorkeur met vrij verval).

Voor de opvang van regenwater

  • Met vrij verval vanaf de mandelige daken en goten;

B) Opslag van het water

Recipiënten:

  • Tanks van het IBC-type, geplaatst op het dak of lager (in dat geval zijn er pompen nodig);
  • In plastic of in beton;
  • Zijn er al regenwatertanks aanwezig in het gebouw?

De kwaliteit van het opgeslagen water wordt beïnvloed door de blootstelling aan de zon van de kuip en de interne wand waarmee het water in contact staat.

C) Distributie van het water

àFAQ “Hoe mijn stadslandbouwproject van water voorzien?” Link aanbrengen zodra die beschikbaar is!!

D) Kwaliteit van het plantwater

Is er gevaar voor vervuiling van de gewassen via het plantwater?

       I.          Leidingwater van de stad

In Brussel stelt het leidingwater geen problemen dankzij de gezondheidscontroles

     II.          Regenwater

Regenwater is niet geschikt voor menselijke consumptie

Het kan daarentegen wel gebruikt worden voor het bewateren van voedingsgewassen behalve als het in contact geweest is met dak- of gootbedekkingen in zink, asbest of bitumen.

Controleer de opslag van het water om bacteriële besmettingen te vermijden:

  • Het is best om de tank in te graven;
  • Geef de voorkeur aan een betonnen tank boven een plastic tank (kolonisatie door bacteriën).

E) Waterbehoefte van de planten

Een goed aanplantingsplan beperkt de waterbehoefte.

Met bepaalde technieken voor afdekken en bewerken van de grond kunnen waterverliezen in de grond beperkt worden.

Meer informatie is beschikbaar in de fiche “Irrigatie – technieken om water te besparen”

F) Afvoer van overtollig water

Een doorlatend membraan (doorlatende mat) is nodig om het water af te voeren bij zware regenval.

De afvoeropening voor het water moet open blijven om te vermijden dat de afvoerbuizen vollopen (bv. boldraadrooster).

Blootstelling aan de zon

De blootstelling aan de zon is een bepalende factor voor de groei van de gewassen. De hoeveelheid zonlicht bepaalt ook hoeveel water er nodig is voor een goede plantgroei. Een schaduwrijk dak vertoont de neiging vochtig te blijven, wat de groei van mos bevordert. Een dak met veel zoninval zal daarentegen regelmatig bewatering vereisen, afhankelijk van de gekozen plantsoorten.

Tip: om de ideale plaats voor uw teelt te kiezen is het van essentieel belang op verschillende tijdstippen van de dag na te gaan waar zich de schaduw- en lichtzones bevinden en te weten hoelang er zoninval is.

Soort substraat

Het substraat bevat de wortels van de planten.

Er bestaan verschillende soorten: tuinaarde, potgrond, kunstgrond, kleikorrels, enz.

De samenstelling van uw substraat kan afhangen van de productiedoeleinden, het draagvermogen van de recipiënten: bakken, potten, zakken in geotextiel, doorlopende substraatlagen, gerecycleerde voorwerpen (flessen, goten, …).

Een van de grote uitdagingen bij dakteelt bestaat erin te zorgen voor een levende grond.

Structurele afdichting van het gebouw

Om de waterdichtheid van het gebouw te waarborgen en te vermijden dat de wortelvorming van de planten de structuur van het gebouw aantast, moeten er verschillende lagen aangebracht worden tussen het teeltsubstraat en de oorspronkelijke dakbekleding.

In Frankrijk bestaan er “documents techniques unifiés” (DTU) voor groendaken. Deze zijn beschikbaar bij het WTCB.

Voor een extensief groendak

Voor een intensief of semi-intensief groendak

Windvang

De wind wordt vaak over het hoofd gezien bij het aanleggen van een dakmoestuin. De verankering van de planten is nochtans een vereiste om de veiligheid van de op het dak aanwezige personen te waarborgen.

De blootstelling aan de wind beïnvloedt:

  • de waterbehoefte van de planten;
  • de wortelvorming van de planten;
  • de groei van de planten.

Er moet voorzien worden in kunstmatige bescherming om te zorgen voor een zo gelijkmatig mogelijke luchtstroom voor de planten.

Serres

Wij verwijzen hiervoor naar de Gids Duurzame Gebouwen: Dakserres

 

Bovengrondse landbouw

Voor welke inrichtingen is een milieuvergunning noodzakelijk?

Activiteiten, voorzieningen of producten die een effect kunnen hebben op het milieu en op de omgeving, zijn opgenomen in een lijst die werd opgesteld door de gewestelijke administratie. Ze worden in het algemeen "ingedeelde inrichtingen" genoemd.

Indien deze inrichtingen opgenomen zijn in de lijst van de ingedeelde inrichtingen, is een milieuvergunning (of een eenvoudige aangifte) noodzakelijk voor het uitoefenen van de activiteit, voor opslag of voor gebruik van de voorzieningen en de betrokken producten.

Er bestaan 6 klassen van milieuvergunningen (3, 2, 1D, 1C, 1B en 1A) volgens een toenemend milieueffect.

De noodzaak van een milieuvergunning manifesteert zich vooral voor stedelijke landbouwprojecten waarbij dieren worden geteeld of gewasbeschermingsmiddelen worden opgeslagen, of bij diversificatie door integratie van een transformatieprocedé voor plantaardige of dierlijke producten.

Hieronder vindt u voorbeelden met betrekking tot het mogelijke gebruik van de stadslandbouw:

  • Inrichting van klasse 3
  • Inrichting van klasse 2
  • Inrichting van klasse 1B en 1A

Opgelet: de milieuvergunningen hebben een beperkte duur. Ze kunnen evolueren met de tijd. Ze worden meestal afgeleverd voor een duur van 15 jaar, eventueel te verlengen.

De houder van een milieuvergunning kan deze overdragen aan een andere exploitant (overname van een activiteit via een procedure van titulariswijziging). Hij kan ook een aanvraag indienen om de inhoud ervan te wijzigen (verhoging van het activteitenvolume, diversificatie, nieuwe uitrustingen of gebruik van nieuwe producten die wijzigingen teweegbrengen in het risicobeheer…).

Links en hulpmiddelen:

Voor meer informatie:

Voor steun bij het opstellen van uw dossier voor de vergunningen, raadpleegt u:

  • Als particulier: uw gemeente.
  • Voor de ondernemingen: hub.brussels.

------------------

Inrichtingen van klasse 3 :

Gezien het beperkte milieueffect gaat het hier louter om een verplichte aangifte.

Deze aangifte kan – afhankelijk van het geval – onderworpen zijn aan eventuele betaling van administratieve kosten aan de gemeente.

Procedure

Het antwoord wordt binnen een termijn van 20 dagen afgeleverd, en de aangifte heeft meestal een onbeperkte duur.

In de praktijk is in de volgende gevallen een aangifte van klasse 3 voor een stedelijk landbouwproject vereist:

  • De kweek, de opvang, het hoeden of het houden van dieren (1 groot of 6 à 30 kleine dieren), met uitzondering van sommige vogels (rubriek 115), bijenkorven (rubriek 133) en vissen.
  • De generatoren, ontvangers (met uitzondering van zonnecelpanelen) met een vermogen tussen 100 en 250 kVA.
  • De koelsystemen van meer dan 10 kW maar minder dan 100 kW.

Deze aangifte kan bijvoorbeeld gelden voor:

  • Particulieren met een kippenhok (van 6 tot 30 kippen) in hun tuin.
  • Een tuinbouwer die niet anders kan dan een generator te installeren om zijn irrigatiepompen te laten werken op een perceel dat te ver van een elektriciteitsaansluiting verwijderd is.
  • De inrichting van een kleine koelruimte voor de opslag van voedsel in een stedelijke microboerderij.

Inrichtingen van klasse 2 :

De inrichtingen van klasse 2 hebben een bescheiden effect op het milieu en op de buurt.

Concreet is de milieuvergunning klasse 2 vereist voor activiteiten die typisch worden beoefend op schaal van een ambachtelijke KMO, in het kader van een diversificatie of een stroomafwaartse integratie van filières van stedelijke landbouwproducten.

Merk op dat de stedelijke landbouwer – voor zover hij geen te grote hoeveelheden risicoproducten opslaat, het vermogen van zijn uitrustingen beperkt tot 20 kW en zijn personeel beperkt tot minder dan 7 personen – zijn activiteiten mag diversifiëren zonder een vergunning klasse 1B of 1A te moeten aanvragen.

Procedure

Behoudens uitzonderingen (exploitatie door een rechtspersoon) wordt de vergunning klasse 2 afgeleverd door de gemeentelijke autoriteiten.

Het dossier bestaat uit een specifiek formulier waarin de plannen en verschillende beschrijvingen van de inrichtingen opgenomen zijn. Dit wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 15 dagen.

De kosten bedragen 125 euro; de indicatieve leveringstermijn is 60 dagen.

In de praktijk is in de volgende gevallen een milieuvergunning klasse 2 vereist voor een stedelijk landbouwproject (in de ruime zin):

  • De kweek, de opvang, het hoeden of het houden van 2 tot 30 grote dieren of van 31 tot 300 kleine dieren (behalve vissen), het kweken van 30 tot 300 vogels, meer dan 3 bijenkolonies in bijenkorven, evenals accommodaties voor dierenverkoop (behalve vissen).
  • De generatoren, ontvangers (met uitzondering van zonnecelpanelen) met een vermogen tussen 250 en 1000 kVA.
  • Koelsystemen van meer dan 100 kW, evenals ventilatiesystemen met een debiet van 20.000 à 100.000m³/u (bijv. grote serre).
  • Werkplaatsen voor de voedseltransformatie, uitgerust met drijfkracht tussen 2 en 20 kW, en met minder dan 7 mensen in dienst (bereiding, bewerking, conditionering, bewaring van producten van plantaardige of dierlijke oorsprong, met uitzondering van restaurantkeukens), met inbegrip van slagerij, bakkerij, banketbakkerij, zuivelbedrijf, kaasmakerij, vishandel…
  • Elektrische ovens met een nominaal vermogen van 20 à 200 kW.
  • Confectiewerkplaatsen op basis van dierlijke of plantaardige grondstoffen (huiden, haren, veren, resp. vlechtwerk, textiel…).
  • Composteercentra met een vermogen van 10 à 1000 ton per jaar.
  • De opslag van plantaardige of dierlijke grondstoffen (behalve afval), in een grootteorde van meestal 5 tot 50 ton.
  • De opslag van mest, gier, meststoffen (ook louter chemische) van 300 kg tot 50 ton.
  • De opslag van 100 tot 1000 kg aan niet-professionele gewasbeschermingsmiddelen of elke opslag van professionele varianten tot 100 kg.
  • De opslag van beenderen, kadavers en bijproducten van het slachten, van 250 kg tot 1 ton (25 à 500 kg voor bepaalde categorieën van dierlijk afval).
  • De detailverkoopwinkels van meer dan 1000m².

Voor de opslagplaatsen voor plantaardig materiaal, oliën, was en dierlijk vet (5 à 50 ton) en de detailverkoopwinkels van meer dan 1000m² is een gunstig advies van de DBDMH een voorvereiste voor de milieuvergunning.

Inrichtingen van klasse 1B en 1A :

De inrichtingen van klasse 1 hebben een belangrijk (1B) tot zeer belangrijk (1A) effect op de omgeving en de buurtschap. Voor deze inrichtingen is een milieuvergunning vereist, afgeleverd door Leefmilieu Brussel.

Procedure

De aanvraag omvat deze keer een gedetailleerd onderzoek van het effect van deze inrichtingen: een effectenrapport uitgevoerd door de aanvrager (1B) of een effectenstudie door een erkend studiebureau (1A).

De vraag wordt vervolgens voorgelegd aan het advies van technische experts en van de overlegcommissie, na openbaar onderzoek.

In de praktijk is in de volgende gevallen een milieuvergunning klasse 1B vereist voor een stedelijk landbouwproject (in de ruime zin):

  • De activiteiten opgesomd bij de inrichtingen van klasse 2, maar waarvoor de maximumgrens wordt overschreden (bijvoorbeeld: drijfkracht hoger dan 20 kW, of meer dan 300 vogels).
  • De slachthuizen (openbare en particuliere) voor gevogelte en andere kleine dieren, slachtdieren en andere grote dieren.
  • Dierentuinen, dierenparken die openstaan voor het publiek (bijv. kinderboerderij).
  • Bierbrouwerijen, mouterijen en distilleerderijen en werkplaatsen waar bijbehorende activiteiten plaatsvinden.
  • Biomethaniseercentra.
  • Inrichtingen die gebruik maken van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen of micro-organismen (GGM of GGO).
  • Bietenrasperij, productie en raffinage van suiker.
  • Werkplaatsen voor de bereiding van azijn en azijnderivaten.
  • Intensieve visteelt en aquacultuur van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten.
  • Vismeel- en visoliefabrieken.

Voor het fokken van meer dan 60.000 hennen of 85.000 kippen, of voor meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg en 900 plaatsen voor zeugen is dan weer een milieuvergunning van klasse 1A vereist.

Gebruik van pesticiden: lijst van toegestane producten, reglementaire toepassingsafstanden, hoeveelheden.

Gewasbeschermingsmiddelen zijn pesticiden die specifiek worden gebruikt om gewassen te beschermen tegen schadelijke organismen (o.a. insecticiden en fungiciden) of onkruid te bestrijden (herbiciden). Ze worden zowel in de landbouw als in tuinen gebruikt. Het gebruik van deze producten mag enkel worden overwogen als laatste redmiddel in het kader van de geïntegreerde strijd, d.w.z. wanneer alle niet-chemische (fysieke, manuele, mechanische, teelt-, thermische of biologische) alternatieve methoden ondoeltreffend blijken bij de controle van een schadelijk organisme onder een aanvaardbare drempel.

Keuze van het product

  • Het is verboden gewasbeschermingsmiddelen te houden of te gebruiken die niet toegelaten zijn in België. Alle producten die op de markt mogen worden gebracht in België kan u terugvinden door de federale website Fytoweb te raadplegen.  
    De producten voor amateurgebruik bevatten een "G" in hun toelatingsnummer voor garden (bijv. 9524G/B), terwijl de producten die voorbehouden zijn voor professioneel gebruik een "P" bevatten voor professioneel (bijv. 1044P/B)De toegelaten pesticiden zijn enkel toegestaan voor bepaalde teelten en bepaalde organismen. De dosis, gebruiksfrequentie en eventuele specifieke maatregelen om het risico te beperken (bv. bufferzones van 2 tot 30m, driftreducerend percentage...) die zijn opgenomen op fytoweb en op het etiket zijn bindend.
  • Opgelethet Brussels Hoofdstedelijk Gewest verbiedt ook het gebruik van bepaalde van deze producten op zijn grondgebied, zoals in het bijzonder de herbiciden op basis van glyfosaat en de insecticiden op basis van neonicotinoïden.
  • Indien u gecertificeerd bent in biologische landbouw of bezig bent met het certificeringsproces zal u bovendien de lijst van de actieve stoffen die toegelaten zijn in de biologische landbouw, die zijn opgenomen in bijlage II van de verordening (EG) nr. 889/2008 die van toepassing is, moeten naleven. Deze link bevat de lijst van producten die gehomologeerd zijn voor de biologische landbouw in België.

Fytolicentie

Beschikken over een fytolicentie van het type P2 of P3 (certificaat afgeleverd door de federale regering) is verplicht om gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik te kopen, op te slaan en te gebruiken. Een fytolicentie van type P1 volstaat voor de assistenten en arbeiders die de producten gebruiken, maar ze niet zelf kopen, kiezen of de voorraad beheren en die dus werken onder de autoriteit van een houder van een fytolicentie van type P2 of P3.  

Gebruik

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld door een reeks van gewestelijke en federale reglementaire bepalingen, die de nadelige gevolgen van pesticiden op de gezondheid van mens en dier en het leefmilieu willen beperken. Opgelet: de producten die kunnen worden gebruikt in de biologische landbouw, de biopesticiden en andere ecologisch gecertificeerde producten zijn ook gewasbeschermingsmiddelen en dus onderworpen aan dezelfde wetgeving als de synthetische moleculen.

Naast het zorgvuldig volgen van de instructies op het etiket van elk product moet u bijgevolg ook rekening houden met:

Opgelet: het gebruik van pesticiden is nooit zonder risico! Onafhankelijk van de aard van het product of het soort van behandeling raden we aan handschoenen van neopreen of nitril, een beschermingsbril of -masker en rubberen laarzen te dragen.  Bij ongevallen met pesticiden moet u contact opnemen met het Antigifcentrum op het nr. 070 245 245 (gratis oproep 24/7). De "aanwijzingen voor de geneesheer" en de "aanwijzingen voor eerste hulpverlening" bevinden zich op het etiket van elk gewasbeschermingsmiddel en moeten aan de contactpersoon worden bezorgd.  

Links en hulpmiddelen:

Wetgeving:

Welke reglementering inzake bijenteelt ?

De inplanting van bijenkorven in de stad moet omzichtig gebeuren. Want het introduceren van honingbijen kan een niet te onderschatten impact hebben op de reeds aanwezige wilde soorten: concurrentie voor het voedsel (pollen en nectar), overdracht van besmettelijke ziekten en wijziging in de samenstelling van de flora. Vooraleer een bijenkorf te installeren dient u dus een raming te maken van de hoeveelheid voedsel in de buurt, de aanwezigheid van tamme soorten en wilde bestuivers, onmisbaar voor de voortplanting van vele soorten.

U dient dus zeker een opleiding te volgen bij professionals vooraleer te beginnen met bijenteelt. Er bestaan verscheidene opleidingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder meer bij SRABE (Société royale d’Apiculture de Bruxelles et ses environs), CARI en Apis Bruoc Sella (zie referentielijst).

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de installatie van bijenkasten onderworpen aan verscheidene regels.

Inplanting en constructie: de bijenkorven moeten op een afstand van minstens 20 meter van de woningen of van de openbare weg geplaatst worden. Die afstand kan beperkt worden tot 10 meter als er zich tussen de bijenkorven en de woning of openbare weg een vol obstakel bevindt van twee meter hoog (Veldwetboek, art. 88, 7°).
Verder zijn er sommige zones onderworpen aan specifieke reglementeringen. Dat geldt onder meer voor moestuinen ter beschikking gesteld door het Gewest, waar bijenkorven niet toegestaan zijn. Ook in gewestelijke groene ruimten is een herziening van de toelatingsvoorwaarden aan de gang om de invoering van bijenkorven voor pedagogische en sensibiliseringsprojecten te beperken.

Milieuvergunning: bij meer dan 3 bijenkorven is een milieuvergunning klasse 2 vereist. Een stedenbouwkundige vergunning kan ook nodig zijn bij de constructie van een bijenhotel. In beide gevallen dient u informatie in te winnen en stappen te ondernemen bij de diensten van de gemeente waar u met bijenteelt wilt beginnen.
Gedetailleerde informatie over de milieuvergunning is te vinden in Infofiche "Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouw-project?".

Registratie en bijdrage: elke imker moet zich registreren bij het FAVV via een formulier te bezorgen aan de lokale controle-eenheid waar de imker van afhangt. Dit formulier is beschikbaar via volgende link: http://www.afsca.be/erkenningen/modelaanvraagformulier.asp
Het FAVV vraagt ook een bijdrage voor elke bijenkast met meer dan 24 productieve[1] koloniën.

Dierenwelzijn: bij het telen van bijen zijn de follow-up van een dierenarts en de aangifte van bepaalde schadelijke ziekten en organismen verplicht. Als het FAVV bevel geeft tot de vernietiging van koloniën omwille van ziekte, kan de bijenteler een schadevergoeding ontvangen.

Honingproductie: de etikettering, autocontrole en traceerbaarheid van honing zijn gereglementeerd.

Register: alle gegevens over behandelingen van een dierenarts, de aard en de oorsprong van de honing, de controles… moeten vermeld zijn in registers die 5 jaar moeten bewaard worden.
Op de website van het FAVV is meer informatie te vinden over registratie en bijdrage; honingproductie, dierenwelzijn en registers: http://www.afsca.be/bijenteelt/

Verzekering: Een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid aangepast aan de bijenteelt is vereist. Die is meestal inbegrepen in het lidmaatschap van sectorverenigingen (SRABE, CARI, enz.)

Links en hulpmiddelen:

[1] Kolonie: elke groep bijen met koningin en ongeveer 15.000 werksters of 1,5 kg.

 

Zijn genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) verboden in Brussel?

Artikel 5 van de ordonnantie betreffende de co-existentie van genetisch gemodificeerde teelten met gangbare en biologische teelten (3 april 2014) bepaalt dat "elke teelt van genetisch gemodificeerde planten in de open lucht  verboden is".

Dit verbod geldt niet voor serreteelten of andere gesloten teeltsystemen waar "de verspreiding van pollen geen enkele rol speelt".

Links en hulpmiddelen:

 

Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?

Wie een plek zoekt voor landbouwuitbating zal in een eerste reflex onderzoeken welke opportuniteiten nog beschikbaar zijn: grond is immers schaars en gezocht in dit Gewest dat steeds dichter bebouwd en meer verstedelijkt is. Welk terrein ligt braak en is bruikbaar? Welk gebouw is niet meer in gebruik en is geschikt voor reconversie?

  • De bestemmingen volgens het Gewestelijk Bodembestemmingsplan GBP
    Elk perceel op het grondgebied heeft een wettelijke bestemming, beslissend voor de toegestane activiteiten. In Brussel definieert het Gewestelijk Bodembestemmingsplan de bestemming van elke ruimte (groene ruimte, landbouwzones, woonzones…). Dit plan staat het hoogst in de hiërarchie: het heeft bindende kracht en reglementaire waarde.
  • De gemeentelijke lokale planning: het BPA
    Wat kleinere delen van het grondgebied aangaat, kunnen de gemeenten Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA’s) goedkeuren. Deze plannen met reglementaire waarde en bindende kracht moeten de toekomst van een wijk of (al dan niet bebouwd) huizenblok omkaderen volgens zijn/haar ligging en behoeften. Hierin worden gedefinieerd: het detail van de bestemmingen, de inplanting en volumetrie, de looplijn van wegen en toegangswegen…
  • De gemeentelijke strategische planning: het GemOP
    Sommige gemeenten beschikken over een Gemeentelijk Ontwikkelingsplan (GemOP). Deze plannen hebben een richtwaarde en leggen de strategische lijnen vast inzake aanleg en ontwikkeling van het gemeentelijk grondgebied. Duurzame ontwikkeling, stadslandbouw en ondersteuning voor lokale en geïntegreerde economie zijn krachtlijnen die hierin kunnen passen.
  • Een nieuw gewestelijk strategisch instrument: het RPA of Richtplan van Aanleg
    Het gewijzigde BWRO lanceert het RPA als instrument met het voordeel dat het zowel de strategische als de reglementaire aspecten van ruimtelijke ordening oriënteert. Met dit RPA kunnen voor gronden met specifieke uitdagingen (o.a. waar stadslandbouw mogelijk zou zijn) grote aanlegprincipes vastgelegd worden, en kan een reglementaire waarde eraan gekoppeld worden voor bepaalde voorzieningen. Het herroept de bepalingen van andere plannen die er strijdig mee zijn (GBP, BPA, GSV of GSR, verkavelingsvergunning).
  • De stadslandbouw tegenover een zeker juridisch vacuüm
    Belangrijke precisering: de meeste van deze plannen (behalve het RPA) werden opgesteld vóór de revival van de stadslandbouw. Dit verklaart waarom hun bepalingen helemaal geen rekening houden met deze functie als mogelijke activiteit die haar plaats heeft in de stad.

Om de hiërarchie van de plannen en de recente reglementaire evoluties te begrijpen:

Vademecum over de hervorming van het BWRO (13 december 2017)

Links en hulpmiddelen:

 

Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?

De landschappelijke, historische, erfgoed-, of ecologische kwaliteit van het Brussels Gewest houdt vast aan de bescherming van bepaalde sites of panden die erkenning genieten voor hun uitzonderlijke of opvallende waarde. Dergelijke plekken kunnen op het eerste gezicht geschikt lijken voor stadslandbouw maar evenzeer onderhevig zijn aan wettelijke vereisten.

Vaak is er een combinatie van beschermingsmiddelen voor eenzelfde site.

  • Groene zones met hoge biologische waarde
    Het GBP (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?") heeft een dertigtal sites bestemd tot groene zone met hoge biologische waarde. Ze liggen vaak op de gewestrand, waar een belangrijk niveau van behoud en regeneratie van het natuurlijke milieu gerechtvaardigd is. Handelingen en werken zijn er ernstig beperkt en altijd georiënteerd op bescherming van het milieu of van soorten.
  • Natuurreservaten
    Het Gewest telt 14 natuurreservaten (130 ha), veeleer zeldzame milieus in Brussel met hun kwaliteiten op het vlak van landschap en biodiversiteit: valleien, moeras, grasland, bos, bronnen en waterlopen… Stadslandbouw is er niet noodzakelijk uitgesloten, maar elk landbouwproject moet deze natuurlijke rijkdommen beschermen of zelfs versterken. De Ordonnantie betreffende het natuurbehoud is er van toepassing.
  • Zone Natura 2000
    Meerdere sites en natuurreservaten maken deel uit van het Europese netwerk Natura 2000. Het gaat om drie zones in Brussel. De bescherming is er versterkt: het Gewest heeft zich immers ertoe geëngageerd om het behoud op lange termijn van specifieke habitats en hun opmerkelijke soorten te garanderen. Toch sluit dit niet alle vormen van landbouw uit.
  • Beschermde gebouwen, sites of monumenten
    (Semi-)natuurlijke sites, openbare of privégebouwen, monumenten, opmerkelijke bomen worden beschermd wegens hun erfgoedkundig belang en de sleutelrol die ze spelen als getuige en erfenis van een bepaalde tijd. De beschermingsmaatregel is de toevoeging aan de inventaris, of op de lijst voor bescherming. De effecten zijn verschillend, maar voor elk project wordt een specifiek onderzoek gevoerd.

Links en hulpmiddelen:

 

Welke wetgevingen betreffen de ontwikkeling van activiteiten in stadslandbouw?

Een landbouwproject in een stedelijke omgeving inplanten en runnen, veronderstelt dat men alle geldende reglementering naleeft. Om op de hoogte te zijn van de verplichtingen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening moet men de volgende zaken nagaan:

  • De gevolgen van de kenmerken van het project (gebruik van de bodem en het gebouw, eventuele nieuwe constructie, landbouw in volle grond, in bakken of op het dak, soort teelt, enz.)
  • De locatie van het project:
    Men moet zich afvragen welke locatie voor het project wenselijk is (afhankelijk van de nodige ruimte, de mogelijkheden en de eigenschappen van de buurt…) en daarnaast moet men ook nagaan  waar een vestiging mogelijk is.
  • De geldende wetgeving:
    Er zijn verschillende gewestelijke en gemeentelijke plannen, ordonnanties en wetten, van toepassing met een impact die kan verschillen van wijk tot wijk en van perceel tot perceel. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest legt het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) de stedenbouwkundige regels vasten bepaalt het in dit verband de hiërarchie tussen de verschillende bestuursniveaus. Het BWRO werd recent gewijzigd (hervorming: Ordonnantie van 13/10/2017).
  • De geldende plannen:
    GBP (Gewestelijk Bodembestemmingsplan) – BPA (Bijzonder Plan van Aanleg) – RPA (Richtplan van Aanleg):
    Deze plannen organiseren het grondgebied op schaal van zones, gebieden, wijken, huizenblokken. Ze bestaan uit schriftelijke en grafische (kaarten) voorschriften. Zij bepalen de bestemmingen per zone en de activiteiten die er al dan niet ontwikkeld mogen worden (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?").
  • De stedenbouwkundige reglementen:
    GSV (Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening) – GemSV (Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening) – GGemSV (Gezoneerde Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening): deze reglementeringen bepalen de verplichtingen en normen die gelden op het niveau van het perceel, het gebouw en zijn onmiddellijke omgeving. Ze omkaderen de integratie van een project in de wijk en de bebouwing eromheen (zie Infofiches "Welke vergunning en reglementering voor de inrichting van infrastructuren op het dak?" en "Welke vergunning en reglementering voor indoor stadslandbouw-project?", rubriek Bovengronds – Reglementaire informatie).
  • De stedenbouwkundige vergunning:
    Deze is vaak nodig om stadslandbouwprojecten te realiseren: voor de inplanting van nieuwe infrastructuren of technische lokalen, of gewoon om de bestemming - en het gebruik - van een al dan niet bebouwde plek te wijzigen (zie Infofiches "Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouwproject?", "Welke vergunning en reglementering voor de inrichting van infrastructuren op het dak?" en "Welke vergunning en reglementering voor indoor stadslandbouw-project?", rubriek Bovengronds – Reglementaire informatie).
  • De bescherming van het erfgoed en van de biodiversiteit:
    Daarnaast zijn er ook nog specifieke maatregelen voor bescherming van sites met hoge ecologische, historische of erfgoedwaarde. Specifieke regels beogen hun bescherming en kunnen bepaalde projecten beteugelen. Cartografische tools helpen u handig om de betrokken geografische zones te identificeren (zie Infofiche "Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?").

Opgelet: afhankelijk van de technische specificiteiten hebben inrichtingen voor stadslandbouw soms ook een milieuvergunning nodig (zie Infofiche "Voor welke inrichtingen is een milieuvergunning noodzakelijk?").

De betrokken projecten moeten zich ook schikken naar de voedselnormen van het FAVV en in voorkomend geval naar de eigen normen voor certificaten en labels (bio, criteria Good Food), enz.

Algemene Info: https://stedenbouw.irisnet.be/spelregels/het-brussels-wetboek-van-ruimtelijke-ordening-bwro

Links en hulpmiddelen:

 

Hoe vind ik een geschikte site voor mijn project?

Eerst is een evaluatie nodig van de inherente behoeften van de activiteit, in termen van ruimte in open lucht en ruimte in hetgeen gebouwd is, de noodzakelijke minimumoppervlakte, de bereikbaarheid, nabijheid of integendeel afstand tot het dichte stadsweefsel.

Het Brussels Gewestelijk grondgebied biedt weliswaar beperkte maar optimaliseerbare mogelijkheden:

  • Een stadslandbouw-project in de volle grond, op grote oppervlakte ontwikkelen
    De excentrisch gelegen wijken in de tweede kroon en naast de ring hebben nog beschikbare terreinen van min of meer grote afmetingen. Sommige werden altijd al geëxploiteerd door een landbouwactiviteit, andere veranderden gedeeltelijk of volledig van bestemming, nog andere liggen nog braak.
    Het is belangrijk zich te richten op enerzijds de bestaande situatie, anderzijds de bestemming die wordt toegestaan volgens de geldende plannen (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?").
  • Een stadslandbouw-project in de volle grond, op kleine oppervlakte ontwikkelen
    Overal in het stedelijke weefsel kunnen kleine ruimtes weer ingepalmd worden voor gewassen, groenteteelt en (klein)veeteelt (zie Infofiche "Hoe pas ik mijn landbouwproject aan de beperkte oppervlakte van de productiesites in Brussel aan?", rubriek Technische informatie). Voorwaarde is natuurlijk dat alle vereiste voorwaarden en vergunningen verenigd zijn, en vooral ook een akkoord met de eigenaar van de locatie (zie Infofiche "Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouwproject?").
  • Een stadslandbouw-project zonder grond
    In het bebouwde weefsel worden vele locaties momenteel niet uitgebaat: ze zijn klaar voor reconversie, voor een nieuwe bestemming, beschikbaar en potentieel bruikbaar. De typologie is breed: kleinere en grotere kelders, industriële ruimtes, oude werkplaatsen en opslagplaatsen, zichtbaar vanaf de straat of in huizenblokken, op daken, achter muren… en wachtend op een bestemming…

Links en hulpmiddelen:

 

Welke vergunning en reglementering voor indoor stadslandbouw-project?

Vermits Brussel erg weinig landbouwgebouwen telt, zal een indoorproject noodzakelijkerwijze een reconversie of een nieuwe constructie impliceren. Om het even of het om hydrocultuur, champignon- of witlofteelt gaat, of eender welke andere productie: hoe dan ook is er de kwestie van nodige vergunningen, bestemmingsplannen en geldende reglementeringen.

Het is een erg complexe materie. Aarzel niet om professionele specialisten te betrekken bij uw zoektocht. U kunt ook terecht bij de stedenbouwkundige dienst van uw gemeente: deze organiseert geregeld permanenties t.a.v. zijn burgers. Overweeg deze reflectiebasis in 3 stappen:

  • Welk gebouw, welke bestemming?
    Productieve activiteiten worden op meer of minder beperkende wijze toegestaan in gebouwen, afhankelijk van de zones van het GBP (zie Infofiche "Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?"). Er zijn drempels vastgesteld: in een zone met residentieel overwicht is 250 m² productieactiviteit toegestaan, terwijl in een stedelijke industriezone diezelfde productieactiviteit de eerste activiteit is. Sommige zones beschikken ook over een bijzonder plan van aanleg (BPA) dat een vervollediging kan preciseren omtrent toekomstig toegestaan gebruik.Andere belangrijke kwesties: check goed de stabiliteit van het goed, zijn status als erfgoed en de beschermingsmaatregelen. Anderzijds wordt onderdrukking van woongelegenheid verboden of sterk belemmerd volgens het GBP (voorschrift 0.12).
  • Een stedenbouwkundige vergunning aanvragen, hoe doe je dat?
    Als het om een wijziging van bestemming gaat, of om een nieuwe constructie, dan is een stedenbouwkundige vergunning altijd noodzakelijk. Een project dat structurele wijzigingen impliceert, vergt de interventie van een architect. In het algemeen is deze altijd een goede raadgever: hij kan anticiperen op technische vragen en helpen bij administratieve stappen.Goed om te weten: check ook altijd of een milieuvergunning wordt gevraagd (zie Infofiche "Voor welke inrichtingen is een milieuvergunning noodzakelijk?")
  • Welke regels zijn van toepassing?
    De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening (GSV) geldt voor elk project met wijziging van een gebouw, dus ook de stadslandbouw-projecten. Ze geldt zowel bij nieuwbouw als bij een transformatie. Het gaat dan vooral om titel 1 van de GSV. Bij de redactie hiervan werd echter geen rekening gehouden met de revival van deze functies in de stad. Sommige gemeenten beschikken over een Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening (GemSV) of over een Gezoneerde Gemeentelijke Stedenbouwkundige Verordening (GGemSV).

Links en hulpmiddelen:

 

Welke vergunningen zijn nodig voor een stadslandbouw-project?

Vooraleer zich te vestigen en handelingen en activiteiten uit te voeren, is het altijd aangewezen te controleren of een stedenbouwkundige vergunning (SV) nodig is. Deze vergunning, uitgereikt door de gemeente of soms door het Gewest, geeft toestemming tot uitvoering van handelingen of werkzaamheden zoals bouw of renovatie van een gebouw, wijziging van bestemming van de site, gevoelige wijziging van het bodemreliëf, ontbossing, plaatsing van uithangbord, wegwijziging, enz.

  • Te volgen procedure
    Ga op zoek naar correct advies. De betrokken gemeente is uw eerste gesprekspartner: op basis van een beschrijving en/of schema kan een openbare dienst de eigenschappen van het project en van de site onderzoeken. Zij maken u wegwijs in modaliteiten en te ondernemen stappen. Opgelet: de SV moet absoluut afgeleverd zijn vóór de uitvoering van werken; dit zal enkele maanden duren.
  • Werken "van geringe omvang"
    Vooraleer ons te verdiepen in de vele facetten van deze procedures bekijken we eerst de zogenaamde "werken van geringe omvang". Deze kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp van een vereenvoudigde procedure zijn, voor zover de geldende wetgeving gerespecteerd wordt. Er werd een uitgebreide lijst goedgekeurd.
  • Indien een stedenbouwkundige vergunning vereist is
    De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende stedenbouwkundige plannen en reglementen. In sommige gevallen kunnen afwijkingen op de reglementen worden toegestaan, op voorwaarde dat ze expliciet worden gerechtvaardigd door de aanvrager, en goedgekeurd door de overheid die de vergunning aflevert.

Links en hulpmiddelen:

 

Welke vergunningen zijn er nodig en welke regels moeten er gevolgd worden voor een stadslandbouwproject?

Inleiding

Vooraleer van start te gaan en allerlei werken aan te vatten, is het altijd raadzaam na te gaan of een stedenbouwkundige vergunning (SV) vereist is en welke stedenbouwkundige regels nageleefd moeten worden, zelfs als er geen vergunning nodig is. De vergunning is een door de gemeenten of in sommige gevallen door het Gewest verleende toelating om handelingen of werken uit te voeren die nodig zijn om de locatie in te richten en de landbouwactiviteit mogelijk te maken.

Voor welke handelingen en werken is een vergunning vereist?

Het BWRO (artikel 98, § 1) bepaalt welke handelingen en werken een vergunning vereisen. Het doel bestaat erin de technische conformiteit, de stevigheid, de veiligheid, het esthetische aspect en de integratie in de natuurlijke en bouwomgeving te waarborgen. De lijst die vervat is in het BWRO is niet specifiek afgestemd op de stadslandbouw (die nog zeer beperkt was op het ogenblik dat de voorschriften opgesteld werden). Niettemin kunnen we volgende handelingen en werken vermelden (zonder volledig te willen zijn):

  • Bouw of renovatie van een gebouw (voor landbouw-, woon-, opleidings- of andere doeleinden);
  • Installatie van infrastructuur zoals landbouwserres, stallingen voor dieren, opslaglokalen, tanks;
  • Bestemmingswijziging van een locatie (in het bijzonder voor binnenproductie waarbij een niet voor productie bestemd gebouw aangepast wordt of voor landbouwactiviteiten op het dak);
  • Aanzienlijke wijziging van het bodemreliëf, met inbegrip van bijvoorbeeld het graven van een vijver;
  • Boring van een put;
  • Ontbossing, vellen, verplaatsen en alle andere handelingen die hoogstammige bomen in gevaar brengen, maar meer algemeen ook elke wijziging van de vegetatie in beschermde gebieden;
  • Plaatsing van een uithangbord;
  • Wijziging van wegenis, wijzigingen inzake toegankelijkheid en toegangswegen.

Werken “van geringe omvang”

De zogeheten werken “van geringe omvang” kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp uitmaken van een vereenvoudigde procedure (zonder advies van bepaalde instanties, zonder verplichte inschakeling van een architect), voor zover ze voldoen aan de geldende regelgeving. De volledige lijst werd aangenomen bij regeringsbesluit. In de gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten wordt een selectie gegeven van elementen die betrekking kunnen hebben op projecten voor stadslandbouw (p. 28 van de gids). Het Gewest werkt momenteel aan een herziening van deze lijst en van het besluit.

Welke plannen en verordeningen zijn van toepassing?

De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende plannen (zie infofiche “Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?”) en de geldende stedenbouwkundige verordeningen (gewestelijk: GSV, gemeentelijk: GemSV, specifiek: SGemV of zonaal: ZGemV. De huidige GSV dateert van 2006 en omvat geen specifieke regels voor de stadslandbouw. Deze verordening wordt momenteel herzien. In bepaalde gevallen kunnen afwijkingen van de verordeningen toegestaan worden, op voorwaarde dat ze uitdrukkelijk verantwoord worden door de aanvrager, het voorwerp uitmaken van de speciale regelen van openbaarmaking en goedgekeurd worden door de overheid die de vergunning afgeeft.

In de praktijk zijn de buurtbewoners vaak op hun hoede voor projecten met verhoging en/of inname van dakruimten en binnenterreinen van huizenblokken, vooral als het project gesitueerd is in overwegend residentiële wijken.

Te volgen procedure

Het is nuttig te beginnen met een beschrijving en een locatieschema, dat als basis zal dienen voor de analyse van de reglementaire voorwaarden, vereisten en implicaties.  Win goede raad in. De betrokken gemeente is een belangrijke gesprekspartner: ze kan als openbare dienst de kenmerken van het project en de locatie onderzoeken. De gemeente zal u verder wegwijs maken. Op gewestelijk niveau beschikt hub.brussels over een dienst die projectdragers helpt met aanvragen voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen. Een SV-aanvraag moet ingediend worden aan de hand van een SV-aanvraagformulier (bijlage 1) dat hier gedownload kan worden. Opgelet: de uitvoering van de werken mag niet aangevat worden voordat de SV is afgegeven en het verkrijgen ervan neemt enkele maanden in beslag.

Welke vergunning(en) voor welke infrastructuur?

Belangrijk: er gelden specifieke en strengere regels voor beschermd erfgoed (zie infofiche “Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?”).

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vergunningen die desgevallend nodig zijn voor het installeren van landbouwinfrastructuur. Zoals eerder aangegeven is specifieke infrastructuur voor stadslandbouw een recent gegeven waarvan de stedenbouwkundige implicaties nog niet tot uiting komen in de regelgeving. De onderstaande informatie is dan ook een vrije interpretatie van de bestaande regelgevingen en moet afgetoetst worden met de dienst stedenbouw van uw gemeente.

Meer details over vrijstellingen (van SV, van het advies van de gemeente of het Gewest, van de verplichting een beroep te doen op een architect) zijn te vinden op pagina 30 van de Gids en stand van zaken van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten.

InfrastructuurSV?Vrijstelling van SV?Milieuvergunning?
Bouw van een gebouwJa Nee
Renovatie van een gebouwJaAls de renovatie beperkt blijft tot het plaatsen of wegnemen van binneninstallaties zoals sanitaire, elektrische, verwarmings-, isolatie-, verluchtings- of telecommunicatie-installaties.Nee
SerresJa Nee
Stallingen voor dieren, opslagruimten (hut, container, enz.)JaEnkel voor bijgebouw van max. 9m², max. 3m hoog, vrijstaand van het hoofdgebouw in het gebied voor koeren en tuinenNee
TanksJaAls grondinname <9m² of indien ingegravenNee
VijversJaIndien siervijver van max. 20m² in het gebied van koeren en tuinen op min. 2 m van de naburige eigendommen.Nee
BoringJa Ja
OntbossingJa

Snoeien van levende takken met een omtrek van minder dan 10 cm

Uitroeiing van invasieve soorten

Vellen van dode bomen

Nee
Wijziging van wegenisJa Nee

Links en bronnen

  • Praktische stedenbouwgids (2014)
  • Gewestelijke dienst: https://hub.brussels/nl/services/stedenbouwkundige-vergunning/https://hub.brussels/nl/services/
  • Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 november 2008 gekend als besluit “geringe omvang”.
  • Gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten

    Inleiding

    Vooraleer van start te gaan en allerlei werken aan te vatten, is het altijd raadzaam na te gaan of een stedenbouwkundige vergunning (SV) vereist is en welke stedenbouwkundige regels nageleefd moeten worden, zelfs als er geen vergunning nodig is. De vergunning is een door de gemeenten of in sommige gevallen door het Gewest verleende toelating om handelingen of werken uit te voeren die nodig zijn om de locatie in te richten en de landbouwactiviteit mogelijk te maken.

    Voor welke handelingen en werken is een vergunning vereist?

    Het BWRO (artikel 98, § 1) bepaalt welke handelingen en werken een vergunning vereisen. Het doel bestaat erin de technische conformiteit, de stevigheid, de veiligheid, het esthetische aspect en de integratie in de natuurlijke en bouwomgeving te waarborgen. De lijst die vervat is in het BWRO is niet specifiek afgestemd op de stadslandbouw (die nog zeer beperkt was op het ogenblik dat de voorschriften opgesteld werden). Niettemin kunnen we volgende handelingen en werken vermelden (zonder volledig te willen zijn):

    • Bouw of renovatie van een gebouw (voor landbouw-, woon-, opleidings- of andere doeleinden);
    • Installatie van infrastructuur zoals landbouwserres, stallingen voor dieren, opslaglokalen, tanks;
    • Bestemmingswijziging van een locatie (in het bijzonder voor binnenproductie waarbij een niet voor productie bestemd gebouw aangepast wordt of voor landbouwactiviteiten op het dak);
    • Aanzienlijke wijziging van het bodemreliëf, met inbegrip van bijvoorbeeld het graven van een vijver;
    • Boring van een put;
    • Ontbossing, vellen, verplaatsen en alle andere handelingen die hoogstammige bomen in gevaar brengen, maar meer algemeen ook elke wijziging van de vegetatie in beschermde gebieden;
    • Plaatsing van een uithangbord;
    • Wijziging van wegenis, wijzigingen inzake toegankelijkheid en toegangswegen.

    Werken “van geringe omvang”

    De zogeheten werken “van geringe omvang” kunnen vrijgesteld zijn van SV of het voorwerp uitmaken van een vereenvoudigde procedure (zonder advies van bepaalde instanties, zonder verplichte inschakeling van een architect), voor zover ze voldoen aan de geldende regelgeving. De volledige lijst werd aangenomen bij regeringsbesluit. In de gids van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten wordt een selectie gegeven van elementen die betrekking kunnen hebben op projecten voor stadslandbouw (p. 28 van de gids). Het Gewest werkt momenteel aan een herziening van deze lijst en van het besluit.

    Welke plannen en verordeningen zijn van toepassing?

    De SV’s moeten in overeenstemming zijn met de geldende plannen (zie infofiche “Waar en welk project kan men ontwikkelen volgens de Brusselse planning?”) en de geldende stedenbouwkundige verordeningen (gewestelijk: GSV, gemeentelijk: GemSV, specifiek: SGemV of zonaal: ZGemV. De huidige GSV dateert van 2006 en omvat geen specifieke regels voor de stadslandbouw. Deze verordening wordt momenteel herzien. In bepaalde gevallen kunnen afwijkingen van de verordeningen toegestaan worden, op voorwaarde dat ze uitdrukkelijk verantwoord worden door de aanvrager, het voorwerp uitmaken van de speciale regelen van openbaarmaking en goedgekeurd worden door de overheid die de vergunning afgeeft.

    In de praktijk zijn de buurtbewoners vaak op hun hoede voor projecten met verhoging en/of inname van dakruimten en binnenterreinen van huizenblokken, vooral als het project gesitueerd is in overwegend residentiële wijken.

    Te volgen procedure

    Het is nuttig te beginnen met een beschrijving en een locatieschema, dat als basis zal dienen voor de analyse van de reglementaire voorwaarden, vereisten en implicaties.  Win goede raad in. De betrokken gemeente is een belangrijke gesprekspartner: ze kan als openbare dienst de kenmerken van het project en de locatie onderzoeken. De gemeente zal u verder wegwijs maken. Op gewestelijk niveau beschikt hub.brussels over een dienst die projectdragers helpt met aanvragen voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen. Een SV-aanvraag moet ingediend worden aan de hand van een SV-aanvraagformulier (bijlage 1) dat hier gedownload kan worden. Opgelet: de uitvoering van de werken mag niet aangevat worden voordat de SV is afgegeven en het verkrijgen ervan neemt enkele maanden in beslag.

    Welke vergunning(en) voor welke infrastructuur?

    Belangrijk: er gelden specifieke en strengere regels voor beschermd erfgoed (zie infofiche “Wat zijn de specifieke verplichtingen voor een beschermde site?”).

    Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vergunningen die desgevallend nodig zijn voor het installeren van landbouwinfrastructuur. Zoals eerder aangegeven is specifieke infrastructuur voor stadslandbouw een recent gegeven waarvan de stedenbouwkundige implicaties nog niet tot uiting komen in de regelgeving. De onderstaande informatie is dan ook een vrije interpretatie van de bestaande regelgevingen en moet afgetoetst worden met de dienst stedenbouw van uw gemeente.

    Meer details over vrijstellingen (van SV, van het advies van de gemeente of het Gewest, van de verplichting een beroep te doen op een architect) zijn te vinden op pagina 30 van de Gids en stand van zaken van de belangrijkste stedenbouwkundige en territoriale voorschriften die van toepassing zijn op stadslandbouwprojecten.

    InfrastructuurSV?Vrijstelling van SV?Milieuvergunning?
    Bouw van een gebouwJa Nee
    Renovatie van een gebouwJaAls de renovatie beperkt blijft tot het plaatsen of wegnemen van binneninstallaties zoals sanitaire, elektrische, verwarmings-, isolatie-, verluchtings- of telecommunicatie-installaties.Nee
    SerresJa Nee
    Stallingen voor dieren, opslagruimten (hut, container, enz.)JaEnkel voor bijgebouw van max. 9m², max. 3m hoog, vrijstaand van het hoofdgebouw in het gebied voor koeren en tuinenNee
    TanksJaAls grondinname <9m² of indien ingegravenNee
    VijversJaIndien siervijver van max. 20m² in het gebied van koeren en tuinen op min. 2 m van de naburige eigendommen.Nee
    BoringJa Ja
    OntbossingJa

    Snoeien van levende takken met een omtrek van minder dan 10 cm

    Uitroeiing van invasieve soorten

    Vellen van dode bomen

    Nee
    Wijziging van wegenisJa Nee

    Links en bronnen

Documentatie